Rond het wak

Toen de wateren vorige week andermaal onder een deksel van ijs zaten, verzamelden vogels zich in en rond de wakken. Het was een dunne ijslaag, sterk genoeg voor eenden, maar te dun voor schaatsers. Was ik de week ervoor nog over één nacht ijs gegaan, nu bleef ik aan (de besneeuwde) wal.
Het ijs was ook besneeuwd en in de lage winterzon fonkelde het fraai. Eenden die op de rand zaten of stonden, spiegelden zich in het water. Als ze met vele zijn, kunnen eenden een wak met hun warmte en beweging open houden, maar dat is misschien te koud of vermoeiend. In de zomer slapen ze vaak op steigers of eilandjes. Slapen doen ze kennelijk liever op het droge, dan wel op het ijs. Dat ze daar geen koude buik of bevroren vliezen van krijgen, is een klein wonder. In hun vliezen zijn de bloedvaten als warmtewisselaars verstrengeld. Ze geven elkaar de warmte af die daardoor niet in het ijs verdwijnt. Ze vriezen daardoor niet vast. Slapend in een wak zouden ze wel vast kunnen vriezen – een goede reden om zichzelf op het ijs te hijsen. …







