Natuurdagboek

Uilen

Uilen

Ik wist haar te strikken voor een koude winteravond. Middernacht was beter geweest, maar negen uur ging ook best. We liepen door de donkere lanen naar het bos. Daar zaten uilen, wist ik. Ik zwierf graag door het bos, ‘s nachts. Was zij er maar, wenste ik dan, in het stikdonkere bos zou ik haar vast durven aanraken.
Het bos was een zwarte muur; dreigend, geheimzinnig. Je kon nauwelijks een boom onderscheiden. We schuifelden om stammen te ontwijken en geen geluid te maken. Achter iedere boom kon een engbek schuilen, die je naar de keel vloog. Mijn arm om haar heen, dacht ik, hoe krijg ik mijn arm om haar heen, op het veld van de uilen, daar sla ik mijn arm om haar heen. Op die open plek bleven we staan. Kale takken staken boven de zwarte bosrand uit. Ik floot de holle, langgerekte roep van de bosuil, wegstervend in hortende tonen. Iedereen die regelmatig speelfilms ziet, kent dat geluid. Bij een nachtelijke, griezelige of geheimzinnige scene wordt het steevast afgespeeld, ongeacht het seizoen of de plek. Weer deed ik de roep na. Roerloos wachtten we. Ineens klonk in de verte hetzelfde holle gefluit. Ik floot nog eens. Het gefluit antwoordde, vlakbij nu. Er bewoog iets op een uitstekende tak. De plompe contour van een uil. Weer floot ik. De uil rende heen en weer over de tak, zette zich af en zeilde als een brede schaduw geluidloos op ons af. Ik kreeg een mep tegen mijn hoofd. Zij slaakte een kreet. Nu! dacht ik, maar nu was al daarnet.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Geschiedenis van duurzame energie in Nederland

Geschiedenis van duurzame energie in Nederland

‘Kernenergie was een potentieel allesvernietigende technologie: de geest was uit de technologische fles ontsnapt en dreigde zich tegen de meester te keren. Grootschalige toepassing zou onvermijdelijk tot een politiestaat leiden’. Door de dreiging van kernenergie breidde het maatschappelijk protest zich in de jaren ‘70 uit van langharigen tot keurige wetenschappers en politici. En verschoof het accent van protest naar het ontwikkelen van schonere energiewinning. In Een kwestie van lange adem komen de pioniers van de Werkgroep Kernenergie, de Kleine Aarde en de Organisatie voor Duurzame Energie uitgebreid aan de orde. Twee oliecrises later, waarvan de tweede rond 1980 viel en aan nog hogere olieprijzen te wijten was dan de eerste in 1973, wordt de discussie over kernenergie feller gevoerd dan ooit. Wie herinnert zich niet De Brede Maatschappelijke Discussie uit begin jaren ‘80, terwijl die van vorig jaar over biogenetica nu al vergeten is? Toch was die energie-discussie volgens de auteurs van deze geschiedenis van duurzame energie in Nederland ‘niet meer dan een tactische poging het verzet tegen dit beleid stoom te laten afblazen, om na deze pauze weer op de oude koers terug te komen’. Er kwam wat meer aandacht voor energiebesparing, maar de opeenvolgende regeringen bleven doorgaan met kernergie. Niet de BMD, maar Tsjernobyl keerde in 1986 het schip.

In 400 grote, volle pagina’s komen bijna alle aspecten van de duurzame-energiegeschiedenis aan bod. Energiewinning uit zon, wind, waterkracht, biomassa; ze hebben allemaal een eigen hoofdstuk. En hoewel het boek over Nederland gaat, krijgt duurzame energie in ontwikkelingssamenwerking liefst veertig pagina’s toebedeeld. Dat introductie van wind- en zonne-energie in ontwikkelingslanden eerst maar niet wilde lukken, lag volgens de auteurs niet alleen aan cultuurverschillen en allerlei vergissingen bij de implementatie, maar vooral aan het negatieve voorbeeld dat de rijke landen zelf gaven, door te blijven modderen met kernenerige en geen haast te maken met duurzame energie.
Dankzij de uitgebreide index is dit veelomvattende boek een uitstekend naslagwerk. Maar wie snel de grote lijnen in het energiebeleid zoekt, had baat gehad bij een samanvatting. Wie een paar avonden vrijmaakt en het boek helemaal leest, wordt beloond met een hart onder zijn riem: in dertig jaar milieuprotest en energiebeleid is de wind langzaam maar gestaag de goede kant op gedraaid. Dat is nou eenmaal een kwestie van lange adem.

Een kwestie van lange adem – de geschiedenis van duurzame energie in Nederland,
G.Verbong e.a. Uitg. Aeneas, Boxtel, 2001. m39,-.

In Milieudefensie, maart 2002

DELEN
Kaalslag op de Wadden

Kaalslag op de Wadden

Garnalen, botjes en schollen schieten weg tussen de restanten van een weggevaagde mosselbank. De zeebodem in de Eems is omgeploegd. Een ramp voor zeegras, schelpen, vissen en vogels.

‘Hier zag het eergisteren zwart van de mossels’, zegt Klaas Kreuijer achter het roer van de Harder, waarmee hij voor LNV de Oostelijke Waddenzee bevaart. Voor ons strekt de drooggevallen zandplaat de Hond-Paap zich uit, in de Eems. De enorme plaat strekt zich uit voor de Groninger kust tussen Delfzijl in het zuiden en de Eemshaven in het noorden. Aan de oostelijke horizon schuiven joekels van schepen door de Eems, onderweg van Emden naar de Noordzee. Nog verder weg klapwieken windmolens op de Duitse kust. De zandplaat is plat en weids. Op een puist na die midden op de Hond acht meter uit het wad oprijst. Die bult is door de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM) aangelegd als meetstation van de druk in de Groninger aardgasvelden. Daarmee kunnen ze bijhouden hoeveel van het Slochterens gas de Duitsers oppompen. Dat doen ze met een kanariegele installatie, die verderop uit de Eems torent. Gaswinning in het grensgebied is niet de enige bron van onenigheid tussen Nederland en Duitsland. De hele Eems is betwist. Duitsland vindt dat het een Duits water is, tot de eblijn vlak onder de Groninger zeedijk. Nederland is het daar niet mee eens. Dat had in 1945 natuurlijk geregeld moeten worden, maar nu wordt er gehannest met vage afspraken. Zo zouden beide landen moeten overleggen alvorens mensen in de Eems mogen rommelen. Niettemin gaf de deelstaat Nieder Sachsen drie mosselvissers een vergunning de mossels van de Hond te schrapen. Klaas Kreuijer keek tandenknarsend toe hoe de mossels verdwenen.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Gier in het vizier

Gier in het vizier

Zondag de monniksgier gezien. Met vrouw en dochtertje begaf ik mij naar het buitendijkse Fryske Gea waar de gier zich al twee weken bevond. In de kilometersbrede kwelders en zomerpolders die zich uitstrekken tussen Zwarte Haan en Holwerd kan zelfs een 2,80 meter spannende roofpiet onzichtbaar blijven, te meer daar het gebied doorsneden wordt door zomerdijken die het zicht op zittend gevogelte ontnemen. Gier?ontdekker en boswachter Albert Ferwerda uit Ferwerd had me verteld dat hij hem vrijdagmiddag nog gezien had bij Blija. Vrijdagavond nam ik er vast een kijkje zonder de gier te ontdekken. Sinds 1900 is één keer een monniksgier in Nederland gezien. Die is meteen doodgeschoten en staat nu opgezet in museum Naturalis te Leiden. De dichtstbijzijnde monniksgieren wonen in Spanje, op enkele uitgezette vogels na in de Franse Cevennen. Daar zal deze gier wellicht vandaan komen. Het is een wilde, want Ferwerda had gezien dat hij geen ring droeg.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Een goedmoedige schommel

Een goedmoedige schommel

Uw botten zouden versplinteren als een das erop knabbelde. Misschien op hyena en veelvraat na heeft geen zoogdier zulke sterke kaakspieren als de das. Vreemd, want een das eet vooral wormen, larven, kikkers, muizen, vruchten en honing; grut dat ie zonder kauwen in zou kunnen slikken. Die kaken passen ook niet bij het karakter van de das. Een goedmoediger schommel is moeilijk te vinden. Met vele soortgenoten bewonen ze een uitgebreid holenstelsel: de burcht. Zelfs vossen worden door dassen in de burcht getolereerd. ’s Avonds komt de das te voorschijn. Eerst snuffelt ie of er gevaar dreigt. Dan poetst het propere dier zijn pels, waarna de hele familie elkaar begroet. Men stoeit, vlooit, snuffelt en deelt muskus uit, de geurstof waaraan dassen elkaar herkennen. Na eventuele reparaties aan de burcht trekt de das erop uit. Hij schommelt het bos door, naar drassige velden, akkers of houtwallen, want daar zijn wormen en knaagdieren te halen. Voor zonsopgang rolt hij zich weer op in zijn burcht.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Herfst aan de Costa del Sol

Herfst aan de Costa del Sol

Graadje of 25 is het. In de zon is het alleen uit te houden dankzij het briesje dat soms de windstilte weg aait. Zandkorrels kriebelen langs mijn rug. De Costa del Sol is het noordelijkste badstrand van Nederland, op Schiermonnikoog. De zee deint niet heftiger dan een zwembad na sluitingstijd. Het water sist tegen mijn gestoofde huid. Ik tuur over het strand. Geen mens te zien. September, de schoolvakantie is ten einde. Achter me klinkt gekras. Ik draai me om en zie een grote stern zijn vleugels inklappen om als een bliksem het water in te slaan. Hij duikt een visje op: zandspiering zo te zien. (Zo te zien? Zou ik een zandspiering op afstand herkennen? Toegegeven: ik gok dat het een zandspiering is.) Vliegt dan stug door, gevolgd door een soortgenoot. Ze vliegen in hun eentje, op tientallen, soms honderden meters van elkaar. Maar ze blijven komen, krassen en zandspiering duiken. Een eindeloze reeks grote sterns stroomt van rechts naar links, van oost naar west, van de Duitse, Deense en Baltische broedkolonies naar de Atlantische kust van Afrika. Daar overwinteren ze, van Marokko tot Zuid?Afrika.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Een luisterrijke nacht in het moeras

Een luisterrijke nacht in het moeras

‘s Nachts is het stil in de Alde Feanen. Tot de kikkers kwaken. Ganzen gakken, een koekoek roept, aalscholvers piepen, de rietzanger zingt. Maar de waterrallen zwijgen. Een nacht varen, lopen en luisteren in het moeras.

Het gepruttel van de buitenboordmotor is het enige geluid als we tegen middernacht uit Earnewâld de Alde Feanen in tuffen. De afgemeerde motorjachten steken wit af tegen de zwarte oever met hier en daar een donker zomerhuis tussen de contouren van bomen en struikgewas. Waarom zijn die jachten toch altijd wit? Aan dek van zo’n gevaarte licht een sigaret op. We zwaaien alle drie, hoewel het onwaarschijnlijk is dat de nachtelijke roker ons kan onderscheiden. We leggen aan bij een paal en zetten de motor af. Waterrallen willen we horen. Waterrallen, de schuwe neven van waterhoen en meerkoet, sluipen op hun grote poten door het nachtelijke riet en laten zich zelden zien. Vaker laten ze zich horen; luidruchtig gillend, knorrend en kreunend. Maar nu houden ze zich koest.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Alleen in het veen

Alleen in het veen

Tussen de pollen zitten kale stukken modder. Die moet ik zien te vermijden. Anders bestaat de kans dat ik met ongepaste snelheid in verticale richting naar beneden verdwijn.

‘Houdt dat veen me wel?’ vraag ik als toezichthouder Van der Meulen me op een zompig eiland in de Alde Feanen achterlaat. ‘Waarschijnlijk wel’, is zijn geruststellende antwoord. ‘Als je maar niet die broekbossen in gaat.’ Ik zet vijf stappen en de bodem veert als een trampoline mee. Doodeng. Trilveen heet dit verschijnsel; een verwortelde laag die op het drabbige moeraswater drijft. ‘Hoe dik is die laag?’ Van der Meulen trekt een vragend gezicht. ‘Halve meter?’

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Nieuwjaar

Nieuwjaar

Ik stap de permafrost van Noordoost-Friesland in. Het is min twaalf. Ik was de enige passagier. De eerste waarschijnlijk, in het nieuwe jaar. De buurtbus ronkt weg door de toendra, naar Paesens en Moddergat aan de Noordpool. Het zou acht kilometer lopen zijn naar de boerderij van tante IJf en oom Menk, iets minder nog, want ik kan afsnijden dankzij de dichtgevroren sloten. Maar schaatsen gaat sneller en is leuker. Schaatsen op de Dijkstervaart is een oude wens van me. Oom Menk zei altijd dat hij niet wist of het kanaal naar mij was vernoemd of ik naar het kanaal. Ik logeerde zelden ‘s winters bij hen. Ik stap over het prikkeldraad, het besneeuwde weiland in. Ergens die kant op stroomt de Dijkstervaart. Op onbekend ijs moet je niet schaatsen, zeggen ze, zeker niet ain je eentje. Met die wind kan het ijs verraderlijk zijn en onder de sneeuw zie je de zwakke plekken niet.

Lees Meer Lees Meer

DELEN