Geelgerand en bijterig

Toen ik tien was, fietste ik op Schiermonnikoog met een vakantievriendje naar de Kooiplas, waar we doorheen waadden. Onze laarzen liepen vol. We zeiden daar thuis niets over, en na een paar dagen waren ze wel weer opgedroogd.
We zwaaiden met een netje door het water. We visten waterplanten op, maar ook waterkevers van uiteenlopende vorm, grootte en snelheid. Stekelbaarsjes, zoals we die in de ijsbaan vingen, waren hier niet.
Ineens gilde mijn vriendje. Hij had iets beet wat hem beet. We keken voorzichtig – het was een vijf centimeter lang, wormachtig dier. Het zat onder de modder. We visten de meeste planten en drab eruit en namen de halfvolle emmer mee naar huis, met drie waterkevers en de bijtende worm. …







