Veldknobbeldaas Hybomitra montana. Foto Koos Dijksterhuis
Op het strand van Schiermonnikoog droog ik op van zwemmen in de branding. ‘Zzzz’, een opdringerig insect dramt wesp-achtig om me heen. Hij probeert op me te gaan zitten. Ik sla hem weg. Wespen kun je beter niet wegslaan, maar dit is geen wesp, dit is een daas. Als je een wesp wegslaat, moet je hem een oplawaai geven waar hij meters door uit de koers raakt. Bij dazen is dat niet nodig, die laten zich door een klein tikje al uit het veld slaan. Ze dwarrelen naar de grond waar ze opkrabbelen om opnieuw toe te slaan. Hun beet is pijnlijk.
Dazen komen vaak als je net hebt gezwommen. Dan ben je goed te ruiken voor dazenneuzen. …
Alikruik + heremietkreeft + zeepok + zeerasp. Foto Koos Dijksterhuis
Op het strand ligt een alikruik. De alikruik is dood, alleen zijn schelp ligt er. Alleen zijn schelp? Dat is een understatement. Er zit een heremietkreeft in, een zeepok op en het geheel is gehuld in een laagje zeerasp.
Eerst even de alikruik. Dat is een zeeslak die stevige ondergrond nodig heeft. Daarover kruipt hij, zeewier grazend. En daarop hecht hij zich vast als hij droogvalt. Alikruiken kunnen zich boven water urenlang aan een steen, paal, oester of ander fundament vastklampen. Dan zijn ze een gemakkelijke prooi voor mensen die ze plukken. Alikruiken of krukels smaken goed maar je hebt er nogal wat nodig voor een mondvol en je moet ze één voor één uit hun schulp pulken met met een tandenstoker. …
Hé, een parelmoervlinder. En een grote ook. Nee, niet de grote parelmoervlinder. Het is de duinparelmoervlinder. Duinparelmoervlinders leven in de duinen van Noord-Holland en de waddeneilanden, en op de Hoge Veluwe. Ze zijn zeldzaam. Maar op Schiermonnikoog lijkt hun aantal toe te nemen. Ze houden van de schrale plantengroei in duinvalleien. Schrale duinvegetaties zijn zeldzaam geworden, maar op Schier houdt Natuurmonumenten ze in stand. Soms worden er tientallen duinparelmoervlinders gemeld uit één duinvallei. …
Meeuwen komen in de literatuur vaak voor als decor. Altijd krijsen ze. Meestal worden ze zeemeeuwen genoemd. Zeemeeuwen bestaan niet. Ze worden zo genoemd omdat meeuwen vaak aan zee rondhangen. Maar meeuwen leven net zo goed aan land. Ze zijn evenzeer stads als zees. Ze broeden zelfs in steden. In Haarlem werd ik aangevallen door een zilvermeeuw. Die hield de wacht op een nok bij zijn nest en dook op voorbijgangers. …
Ooit wandelde ik met een bevriende kunstenaar. De berm van ons pad stond vol klaprozen. Vuurrode vlekjes in het groen. Vriend zei dat veel bloemen rood zijn, omdat rood het meest opvalt in het groen. Rood en groen zijn complementaire kleuren. Dat klonk intelligent en aannemelijk.
Laatst merkte vriendin op dat er behalve de klaproos geen rode bloemen zijn. Koortsachtig somde ik bloemen op als rode pimpernel, rood guicheilheil, rode klaver. Nee, vond vriendin, die zijn paars of roze of oranjerood. Geranium dan, dahlia, tulp, roos? Ja, doorgekweekte tuinbloemen. Maar in het wild?
Ze heeft gelijk, ik fiets en wandel rond, speurend naar rood. Rozebottels, appels, stengels van zuring en kornoelje, herfstbladeren. Maar bloemen? Nop, behalve de klaproos dan.
Nu de zomer vordert, hebben paarse en roze bloemen de overhand. Koekoeksbloemen, kattenstaarten, wilgenroosjes, andoorns, distels, knoopkruid; allemaal roze of lila. Gele, blauwe en witte bloemen zijn er ook, maar minder dan in de lente. Aardhommels zijn de eerste bestuivers in het voorjaar, en hebben een voorkeur voor geel. Misschien houden bijen van lila. Misschien is het ook toeval.
Rood is de kleur van bloed. Daarom dachten mensen vroeger dat papavers groeiden op de plek waar iemand bloedig was vermoord. Op de slagvelden van Eerste Wereldoorlog bloeiden de klaprozen welig, dus dat klopte met de theorie. Klaprozen zijn licht ontkiembare planten. Ze doen het in de brandende zon op uitgedroogde, kale, verstoorde grond, als andere planten het laten afweten. Het probleem met klaprozen is, dat het ook verstoorde, kale grond móet zijn. In de tuin geven wilde klaprozen het na een jaar op. Kale grond naast de spoorlijn bevalt hen beter, of een braaklandje, of een slagveld.
Groenknolorchis + zilvermeeuw. Foto Koos Dijksterhuis
Sturmia, noemde mijn vader de groenknolorchis. Het was één van de twee kostbaarste kleinoden die je op Schiermonnikoog kon vinden. De andere heette herminium, honingorchis. De laatste is er nu niet meer, de eerste wel. Hij heet nu geen sturmia meer, maar Liparis loeselii. Het is een pionierplant van jonge, vochtige, kalrijke, kale strandvlakten en duinvalleien. Strandvlakten en duinvalleien blijven nooit lang kaal, er komt van alles groeien. Eerst groenknolorchis, ogentroost, dwergzegge en een paar andere orchideeënsoorten. Daarna grotere grassen, kruipwilgen en duindoorns. En dan houden de groenknolorchissen het voor gezien. Dan verhuizen ze naar andere plekken, die net zijn kaalgeslagen door zee en wind. Dat doen ze via hun ragfijne zaad, dat overal heen waait, ook naar goede gronden. …
Als grefo mag ik stokbrood met boursin
En bloedwijn en naar hartelust jenever
Ik mag zelfs naar de dokter voor mijn lever
Maar mijn geloof verbiedt me een vaccin
Ook ik was eens een kind, ook ik was klein
God liet mij bij geen kinderziekte stikken
Geen ongelovige, met al zijn prikken
Kan zo gepokt en zo gemazeld zijn
Zoon met lievelingssprinkhaan. Foto Koos Dijksterhuis
Zoon heeft een vriendje te logeren op Schiermonnikoog. Zoon kent de weg en troont vriendje mee op de fiets. Op Schier is verdwalen onwaarschijnlijk, er zijn weinig auto’s, en zelfs voor de grootste huismus of autofanaat is fietsen er aangenaam over de op en neer en heen en weer zwabberende schelpenpaadjes.
Zoon en vriendje zoeken sprinkhanen. Ze fietsen naar de duinen met een emmertje. Ze keren terug met het emmertje. Er zitten sprinkhanen in. Er zitten ook sprinkhanen op het stuur, op hun armen, rug en hoofd. Sprinkhanen zijn minder geneigd tot in emmertjes afwachten wat jongens van plan zijn dan de jongens denken. …
De krant voorspelde een hele rij wolkenloze zonnetjes. Dat was nog eens goed getimed, net toen we vorige week naar Schiermonnikoog gingen! Daar bleef het echter zwaarbewolkt en in de noordenwind waren we blij met onze vesten. Brrr!
Op een zandoogje en een atalanta na vliegen er geen dagvlinders rond het huisje. De nachtvlinders houden zich ook verre van de ramen. Alleen een huismoeder overdagt in een donker hoekje. Als ze haar vleugels strekt, worden haar ondervleugels oranje vlaggen. …
In mei vlogen ze al rond, en toen is deze foto gemaakt, maar in de loop van juli komen ze pas echt op gang. Tussendoor waren ze er even niet. In juli komt een nieuwe generatie los. Met die merkwaardige vleugels doen ze mij denken aan een ruimteschip of toch op z’n minst een stealth-vliegtuig. Ze zijn ook steels, je ziet ze zelden. Ze fladderen meestal in de schemer, en dan ook nog te hoog voor ons, rond de kruin van een eikeboom. Maar ze kunnen in beeld komen als ze uit lagere eiken opvliegen, bijvoorbeeld doordat je per ongeluk tegen de takken stoot. …