Bij het noemen van Jacobskruiskruid krijgt menigeen een rood waas voor ogen. Paardenhouders hebben de plant met succes in het verdomhoekje gelobbied. Ten onrechte, want paarden krijgen alleen buikpijn van Jacobskruiskruid als hun baasjes het hun, onherkenbaar verstopt in hooi, langdurig opdringen. Zelf zouden paarden het nooit eten. Wel eten de zwartgeel gestreepte rupsen van de Jacobsvlinder ervan. En op het stuifmeel komt een heel leger van vlinders, bijen en zweefvliegen af. …
Ilja Sanders uit Bakhuizen telt ieder jaar in Zuidwest-Friesland huiszwaluwnesten. Huiszwaluwen broeden in zelfgeboetseerde nesten die ze aan gevels hangen. Ze kleven een kommetje van modder en speeksel aan de muur. Ze willen graag een afdak of dakgoot boven hun nest. Soms nestelen ze ín bouwwerken, vogelkijkhutten bijvoorbeeld, maar meestal broeden ze tegen buitengevels. Boerenzwaluwen doen dat andersom: meestal broeden die ín gebouwen, soms ook erbuiten. …
Mannetjesvaren, vrouwtjesvaren, vrouwenmantel, mannetjesereprijs, vrouwentong… In het plantenrijk is genderneutraliteit ver te zoeken. Hoewel je dat ook anders kunt zien. Genoemde planten zijn soorten, geen geslachten, laat staan genders. Gender is een Amerikaans woord voor geslacht in maatschappelijke zin. Ooit volgde ik een college vrouwenstudies. Later heette dat genderstudies, omdat er behalve vrouwen ook mannen bleken te bestaan. Het heet nog steeds genderstudies, nu omdat er géén vrouwen of mannen meer bestaan. …
Gewone wesp op brede wespenorchis Foto Koos Dijksterhuis
Wandelend door Nederlands hoogstgelegen bos, op de Waalse grens van Zuid-Limburg, zie ik wespenorchissen; brede wespenorchissen om precies te zijn. Ze staan langs het bospad, in de schaduw van de bomen. Het zijn niet de zeldzaamste orchideeën van ons land. Echt talrijk is in Nederland geen enkele orchidee trouwens, al kun je plaatselijk grote hoeveelheden aantreffen van bijvoorbeeld rietorchissen. Ook van de brede wespenorchissen zie ik er steeds meer; waar ik het bos uitloop staat de bosrand er helemaal vol mee. …
De auteur kampeert in het bos Foto Koos Dijksterhuis
Wij Nederlanders trekken ’s zomers massaal met een tent naar Frankrijk, omdat wij als oermens achter ons voedsel aanreisden en ons kamp vaak verplaatsten, ons ’s avonds rond het kampvuur schaarden en elkaar hielpen. Dat betoogde psycholoog Mark van Vugt laatst in deze krant. Drieënhalf miljoen Nederlanders zijn deze weken goed voor 44 miljoen overnachtingen op een camping.
Het reizen zit in ons bloed, de camping in onze genen. Dat komt volgens Van Vugt doordat we daar dichter bij de natuur zijn, net als onze voorouders. We steken een elektrisch vuurtje in de barbecue en kluiven onze geroosterde bout. We helpen elkaar met de tent en passen op elkaars kinderen. Er zou zelfs een gen zijn, dat verband houdt met avonturisme en reislust. …
De dichte haag waarin ik gisteravond sabelsprinkhanen zag en waar een boktor en een schorpioenvlieg zich terugtrokken voor de nacht, gonst vanmorgen van het leven. Leeft van het gegons, zou ik ook kunnen zeggen. Het leeft van de bijen, zweefvliegen en ander geleedpotig gedierte. Een meeldauwlieveheersbeestje schuift langs over een twijg.
Waar geleefd wordt, vallen doden en de natuur is helemaal een slagveld. Vooral insecten gaan massaal dood. Maar weinig insecten worden ouder dan één zomer. Ze laten als het even kan een erfenis na van eitjes, larven of poppen. In de loop van de zomer verschijnen er steeds meer insecten, die vervolgens ten prooi vallen aan bijvoorbeeld spinnen. Soms lijkt de wereld volledig bedekt met spinnewebben. Voor een insect is er geen doorkomen aan. …
Grote groene sabelsprinkhaan. Foto Koos Dijksterhuis
Na een avond-ommetje loop ik in de schemer langs een dichte, hoge haag. Hoewel mijn middelbare oren nauwelijks krekels kunnen horen, valt mij een hoog en schril getjirp op. Het is het getjirp van sabelsprinkhanen. Grote groene sabelsprinkhanen tjirpen heel luid; zo luid, dat zelfs ik het hoor.
Ik blijf roerloos staan en probeer de schemer tussen de bladeren te doorgronden. Na enig turen word ik ineens een subtiele beweging gewaar: de vibrerende poten van een grote groene sabelsprinkhaan. Wat een enorm beest! Het getril valt samen met het geluid. Als de gigantische groene sabelsprinkhaan zwijgt, antwoordt er een andere, een halve meter lager. Ook die krijg ik in beeld. Hij klautert een klein stukje door de twijgen. …
Wandelend door de Cantabrische bergen zien we onnoemelijk veel soorten bloemen bloeien. Aangezien we fikse afstanden afleggen en hoogtes overbruggen, slepen we geen flora’s mee en kunnen we niet eindeloos plantjes bestuderen. Foto’s maken dan maar en later thuis uitzoeken.
Behalve het uitgebreide assortiment orchideeën valt op hoeveel bloemen we zien, die we kennen als tuinversiering. Ridderspoor, monnikskap, kaasjeskruid, akelei, nieskruid en blauwe iris zijn een paar van de meest opvallende. En mooi dat ze zijn! Zo diepblauw als de akeleien en irissen hier zijn, zijn ze nergens. Dat geldt trouwens ook voor zandblauwtjes, dwergblauwtjes, vleugeltjesbloemen en diverse gentianen. Een blauw waarbij de helderste hemel flets afsteekt. Als je je op Amerikaanse wijze blue voelt en naar blues luistert, betekent dat iets treurigs, maar mij maakt al dat blauw juist blij. Ook blauwe vlinders, ijsvogels, azuren zeeën en onbewolkte uitspansels maken me blij. Blauw is mijn lievelingskleur, al betekent dat niet dat ik graag een blauwtje loop. …
Naast de uitkijkbult bij Papenhoven, een Limburgs dorpje aan de Maas, ligt een waterplas. Er drijven grindzuigers op. Op de wal zijn installaties en containers, provisorische zandwegen en hekken met borden die waarschuwen voor “gevaar!” Het lijkt een bouwput en dat is het ook. Maar dan wel een tijdelijke bouwput, die zoveel oplevert aan grind, dat er een herinrichting van het Maasdal van betaald kan worden. De rechteroever van de Grensmaas, de Nederlandse zijde dus, is op de schop gegaan. …
Twee breedgebouwde libellen die nogal in het oog lopen, zijn oeverlibel en platbuik. Ze lijken op elkaar, maar de platbuik is nog breder dan de oeverlibel. Oeverlibellen en platbuiken zijn allebei blauw, althans de uitgekleurde mannetjes; jongemannen zijn geelbruin en vrouwtjes geel.
Het blauw van een platbuik of oeverlibel is grijsblauw en het lijkt wel berijpt met een flinterdun laagje dauw. Oeverlibellen vliegen in de buurt van water rond en gaan vaak even op een kaal stukje grond zitten. Daar laten ze zich redelijk benaderen, zodat ze goed te bekijken zijn, al is een verrekijker of telelens daarbij handig. …