Springerig bezoek

In de stadse bovenwoning waar ik vaak logeer, zet ik bij mooi weer de keukendeur wijd open. Ik moet hem vastzetten want het huis staat niet zo ver van zee en het waait er vaak. Op het kabouterbalkonnetje staan potten met wilde bloemen. Daar komt soms een bij of hommel op bezoek. De kruimels die ik op het lager gelegen schuurdak strooi, vinden aftrek bij kauwen en eksters, zilver- en mantelmeeuwen, hout- en tortelduiven.
Als die vogels komen eten, loert de kat onder dekking van de bloempotten toe. Ze ligt plat op haar buik met opgewonden zwiepende staartpunt. Haar bloeddorst legt het steevast af tegen haar angst – zelfs van het geklapwiek van tortels schrikt ze zo, dat ze als een schicht naar binnen vlucht. …








