Stil op de hei

Het was stil op de hei, koud en stil. En nevelig. Ook in de bossen rond de hei was het stil. En het ven was het stilst: het hield zich schuil onder een laagje ijs.
Stilte is fijn, en het is jammer dat er altijd verstoringen zijn. In dit geval kwekkende wandelaars, blaffende honden, ronkende motorzagen en passerende vliegtuigen. Maar tussendoor was het stil, doodstil haast. Wij, mijn geliefde en ik, spreken elkaar vaak en hoeven in de natuur niet per se bij te kletsen. We slopen zwijgend door bos en hei en ik voelde me bijna opgaan in de stilte.
We hoopten op kruisbekken of appelvinken, zwarte mezen of andere bijzonderheden. Er hingen wel dennenappels en sparrenkegels hoog in de bomen, maar er zat geen kruisbek bij. We zagen en hoorden in anderhalf uur tijd slechts een paar kool- en pimpelmezen, vier staartmezen en twee grote bonte spechten. Opvallend weinig gevogelte; je zou er ongerust van worden. …








