Als biologiestudent moest ik organen ontleden. Een smerig karweitje, maar dat vond ik niet erg – ik sneed ook koppen af van dode vogels die ik vond, omdat ik uitgekookte schedels verzamelde. Als vegetarische dierenvriend was ik alleen niet blij met runderharten en -hersenen. Ik werd lid van de anti-vivisectieclub. Maar de anatomische lessen waren verplicht. Vivisectie is trouwens snijden in levende wezens, terwijl ik in dode dieren sneed. …
In de buurt van mijn huis staat een bosje met een paar uit de kluiten gewassen abelen. Ze zullen binnenkort wel omgezaagd worden, want dat is het droevige, klimaatonbestendige lot van bijna alle grote bomen, abelen voorop. Maar nu staan ze nog aan de bosrand en dienen ze als rustplaats voor vijf aalscholvers.
Tot voor kort zaten er blauwe reigers in die kruinen te dutten. Die hangen nu een beetje ontheemd rond. Sommige nemen onder in een boom plaats, andere staan op de nok van een dak van een nabijgelegen woning. Maar de boomtoppen delen met aalscholvers? Geen sprake van. Misschien vinden ze aalscholvers vies, of raar, of primitief met die ongeoliede veren die ze na een duik in spreidstand moeten drogen. Of vinden ze aalscholvers eng? Reigers lijken me voor geen kleintje vervaard, maar aalscholvers zijn geen kleintjes. Ze zijn van vergelijkbaar formaat als reigers, al hebben ze minder lange benen. En minder lange tenen. Ik vermoed dat reigers gewoon geen buren willen. Desgevraagd zeggen ze misschien: ‘maar ik discrimineer niet hoor, ik heb aalscholvers onder mijn beste vrienden’. …
In een berichtengroep van vogelaars las ik een melding van Eef Kieft over een kuifaalscholver in IJmuiden, die een vishaak had ingeslikt. De afgebroken vislijn met dobber dwarrelde uit zijn snavel, de haak zat ergens in de vogel.
Prompt reageerde Christophe Reijman met een waarneming van een kuifaalscholver, eveneens in IJmuiden, wiens snavel gehavend en bebloed was. Ik vroeg en kreeg foto’s, en nog meer waarnemingen. De kuifaalscholver op de foto hierboven zwom in december al tussen de pieren van IJmuiden, en is ook met een visje betrapt. Die weet zich dus te redden. …
Vrienden van ons snoeven al een tijdje over ransuilen in een boom bij hun huis. Ik zag van de zomer een paar keer zo’n prachtige schim vliegen maar een slaapplaats heb ik al lang niet meer gezien. Voorheen wist ik een tuin met wel zestien ransuilen, maar het huis werd verkocht en de nieuwe bewoners kapten de bomen, om plaats te maken voor een tuinverlicht boeddhabeeld.
Zulke smakeloosheid gaat zelden gepaard met bekendheid over de wezens met wie we onze leefomgeving delen. En als dat benul er wel is, vindt men braakballen onder en poepsporen in de boom maar vies. Een in de schemer overzwevende schim die zacht ‘hoe’ zegt doet wellicht oeroude angsten opleven. En dan gaat de bijl in de boom. …
Hoe talrijker ze worden, des te minder lezersvragen over ‘witte reigers’ ik krijg. Die paradox komt misschien doordat je bij alledaagse verschijnselen minder vraagtekens zet. Misschien onthouden lezers ook wel mijn eerdere natuurdagboeken over die sierlijke, sneeuwwitte vogels, en is u inmiddels op de hoogte.
Grote zilverreigers zijn ’s winters in alle natte, vochtige en open landschappen te zien. Hun aantal begint in de buurt te komen van dat van blauwe reigers. In het laatste Sovon-nieuws (33/4) schrijft Willem van Manen van Sovon Vogelonderzoek over de mogelijke competitie tussen de maagdelijk witte en de oudgediende blauwe reigers. …
Kieviten, kemphanen, kwikstaarten en goudplevieren bevolken Arkemheen, een van ’s lands oudste polders, uit 1356. De weilanden zijn al die tijd ontsnapt aan de verwoestingen van de ruilverkaveling. De sloten kronkelen nog op Zuiderzeese wijze.
Arkemheen is weidevogelgebied. Vroeger kon je er in de lente baltsende kemphanen zien en in de winter kleine zwanen. Die Siberische zwanen kunnen dankzij klimaatverandering noordelijker blijven. Ook kemphanen hoeven minder ver zuidwaarts te reizen, en blijven daardoor juist in Arkemheen. …
Van Erik Woldberg kreeg ik een vraag over boktorren. Die zitten in zijn houtvoorraad bij de houtkachel. Er vlogen volwassen kevers uit en Woldberg stelde vast dat het veranderlijke boktorren betrof. Die zijn klein: langer dan anderhalve centimeter worden ze niet. Hun kleur varieert van geel via rood tot zwart.
Wie aan boktorren denkt, denkt algauw aan doorboorde kozijnen en instortende schuren, maar boktorren die in dood haardhout binnengehaald worden lusten geen bewerkt timmerhout. Veranderlijke boktorren ook niet. De kevers willen naar buiten om op dood hout eitjes af te zetten. Het beste is ze buiten te zetten. Niet op internet kijken, want daar wordt vergif geadviseerd, te koop bij wie het adviseert. …
Drieteenstrandloper met kleurringen. Foto Jeroen Reneerkens
Voor een boek over drieteenstrandlopers volgde ik die koddige dribbelaars drie jaar lang, samen met hun onderzoeker Jeroen Reneerkens. We vingen die vogels en ringden ze met unieke kleurtjes, waaraan we ze individueel herkenden. Dat bleek de vogels onverwacht te helpen.
In mei strijken drieteenstrandlopers onderweg naar Groenland neer op een bepaald strandje op IJsland. Het strandje werd bedreigd door havenuitbreiding en crossmotoren. IJslandse vogelaars drongen bij de regering aan op bescherming van het strand. …
Mijn stukje over onderzoek naar grutto’s laatst leverde enkele gebalde vuisten op. Sommige vogelliefhebbers gruwen ervan dat onderzoekers vogels vangen, ringen en zenderen.
Ik begrijp dat goed; zelf laat ik vogels ook liever met rust, en de meeste onderzoekers die ik ken eveneens. Vogelonderzoek is soms, maar zeker niet altijd gericht op bescherming van die vogels. Wel is kennis over vogels nodig om ze te kunnen beschermen. Als je weet hoe en waar een vogelsoort leeft, of sterft, kun je bijvoorbeeld bedreigingen achterhalen. …
Een eekhoorn uit Breda, dichtte Kees Stip, bereikte op Drie Koningen de Grote Markt te Groningen. Onze langstaartige rode eekhoorns kunnen best een tochtje maken, maar Breda – Groningen lijkt me wel heel ver. Niettemin zag ik in de lommerrijke villabuurt aan de zuidkant van de stad weleens eekhoorns. Ze mijden de stad dus niet, maar de stenige binnenstad?
Je weet maar nooit. Nog niet zolang geleden had ik het niet voor mogelijk gehouden dat er een steenmarter mijn stadstuintje zou bezoeken, maar dat gebeurt intussen al sinds tien jaar. Of steenmarters tot in de binnenstad doordringen, weet ik niet, maar zeg niet op voorhand nee, want zelfs otters zijn daar betrapt. …