Bosbewoner Rob Bijlsma onderzoekt zijn hele leven al (roof)vogels en hun leefomgeving. In zijn nieuwste boek beschrijft hij waarom de natuur in Nederland juist niet veilig is bij beheerders en beschermers.
Grote snuittordoder Cerceris arenaria. Foto Koos Dijksterhuis
We zaten op het terras en rond onze voeten zoemde een wesp. Geen enge die het op onze koffie had gemunt, nee, een kleinere en slankere wesp. Wel was ze zwart-geel gestreept. Ze leek zoekende, ze vloog laag boven de stenen, zigzaggend en soms even hangend. Na een tijdje had ze haar doel gevonden: een zandhoopje van formaat twee-euromunt tussen de stenen, met een rond gat erin. Het holletje zat vlakbij een poot van het tafeltje. Ze kroop erin, om even later naar buiten te gluren. Haar snuitje was te zien, twee voorpootjes, en natuurlijk haar tasters, antennes, voelsprieten of hoe u ze noemen wilt. Die staken naar buiten als de gespitste oren van de hond Pluto van Mickey Mouse. …
Een lezer op Schiermonnikoog mailde dat ze bij de Badweg een gezin bergeendkuikens aantrof, met een volwassen bergeend erbij. Lezer was met een groep wandelaars en ze stonden een tijdje bij de eendjes, die de weg niet over leken te durven. Later sprak ze een ‘kenner’, schreef ze, die had gezegd dat ze de eendjes had moeten vangen op één na, die bij de ouder moest blijven.
Die ‘kenner’ zou het boek De bergeend van Albert Beintema moeten lezen (Atlas Contact 24,99). Beintema bestudeerde bergeenden op Schiermonnikoog. Eén van de problemen van jonge bergeendjes daar zijn wandelaars en fietsers. …
Botanicus Fred Bos uit Winterswijk meldde dat hij plantkundigen Louis-Jan van den Berg en Benno te Linde rond zou leiden in Drenthe. Of ik meewilde. Natuurlijk wilde ik mee. Fred kende ’s lands enige groeiplek – afgezien misschien van een enkele heemtuin – waar de Zweedse kornoelje het uithoudt. In een loofbosje, dat ze beschermt tegen het agrarische geweld, houden deze fraaie plantjes het dapper vol. Elk jaar is het weer de vraag of ze de inwaaiende stikstof overleven. Zweedse kornoelje verdraagt geen stikstof. …
De provincie Friesland wil dieren die eieren of kuikens eten doden, teneinde de weidevogels te redden. Die zijn er niet veel meer. Als ik van Groningen naar Maastricht reis, kom ik niet één grutto tegen, niet één tureluur, niet één scholekster en hooguit een handvol kieviten. Zelfs graspiepers zie ik niet. Een kwikstaart hier, een spreeuw daar; dat is ‘t wel.
De stille lente waar Rachel Carson in 1962 voor waarschuwde is inmiddels een feit. Wat niet wegneemt dat er nog een paar toevluchtsoorden voor weidevogels zijn, waar je niet doorkomt als je van Groningen naar Maastricht reist. Daar beheren veehouders of natuurbeheerders het grasland op een manier, zoals dat vijftig jaar geleden gebeurde. Het wemelt er van de grutto’s, tureluurs, scholeksters en kieviten. …
Sint-Jacobsvlinder op Jacobskruiskruid Foto Koos Dijksterhuis
Het Jacobskruiskruid in mijn tuin groeit razendsnel, nadat het eerst een tijdje traag uit zijn winterse rozetten omhoog kroop. Tot nu toe diende zich één sint-jacobsvlinder aan, zo’n zwart met rode schoonheid die nachtvlinder wordt genoemd, hoewel ie overdag actief is. Nu neemt de vlinder in mijn tuin dat actieve niet zo serieus. Die zit wat te suffen op een plant, waarbij hij niet louter jacobskruiskruid als hangplek kiest. Van een arbeidsethos heeft de vlinder beslist geen last. Sint Jacob is dan ook eerder een katholieke dan calvinistische held. Protestanten noemen hun heiligen geen sint. Het is geen wonder dat de vlinder lui lijkt; hij heeft simpelweg niets te doen. …
Basterdwederikpeulmot Mompha subbistrigella. Foto Koos Dijksterhuis
Wat doet een basterdwederikpeulmot nou in de keuken? Ik schuif een vel papier onder het minuscule vlindertje en laat hem of haar door het raam naar buiten. Of ie het redt? Alleen als ie een wederik vindt. Ik had een grote wederik in de tuin maar die is door slakken opgegeten. Een paar huizen verder echter onderhoudt een bloemrijke buurman een plantenbak met onder meer grote wederiken. En de kleinere basterdwederik groeit in mijn tuin en in openbare perkjes. Want hoe rigoureus die ook door de plantsoenmensen worden ontgroend, basterdwederik vergaat niet. …
Met een Trouwlezer die ik ken van lezersreizen naar Spitsbergen ga ik op vogelexcursie. We doen in een waterrijk gebied een verrassende waarneming. We kijken naar eenden en futen, horen roerdompen, waterrallen en een wielewaal. In de verte steekt een witte hals uit de vegetatie. Een zwanenhals.
De zwaan trekt zijn kop in maar door de kijker duidelijk te zien dat die snavel geen knobbel heeft en niet oranjerood is maar geel met zwart. Wilde zwaan! Weldra zien we een tweede. …
“Boven mijn hoofd zingen vijf veldleeuweriken. Domweg gelukkig val ik tussen het duinriet in slaap.” Zo eindigt Martin Melchers zijn boek Geluksvogel, een kleine biografie van de Amsterdamse natuur (KNNV €22,50).
Melchers (76) was stadsecoloog. Het werd zijn baan, maar de Amsterdamse natuur verkennen was al lang zijn lievelingsbezigheid. Hij spijbelde van de Mulo om vogelnesten te zoeken, karpers te vissen en achter eenden en hazen aan te zitten. Je zou kunnen zeggen dat Melchers als stadsecoloog is geboren. …