De Canadezen komen

Gans het land is ganzenland. Nederland bestaat grotendeels uit gras en graan dat ganzen heerlijk vinden. Om zich ’s nachts veilig te voelen, is er water genoeg. Ganzen vliegen ’s avonds naar dat water, en ’s morgens naar de wei.
Brandganzen, grauwe ganzen, kolganzen en rietganzen zijn de talrijkste. Aan zee heb je rotganzen en dan zijn er nog een paar zeldzame zoals kleine rietgans en roodhalsgans. Van rietganzen en rotganzen bestaan schaarse ondersoorten die oostelijker in Azië broeden en die subtiel verschillen in uiterlijk.
Vanouds broed(de)n die ganzen in het hoge noorden en noordoosten. In toenemende mate blijven ze in Nederland om te broeden. Sinds 1980 hebben grauwe ganzen het land gekoloniseerd. Aangeschoten brandganzen konden niet wegvliegen en waren de eerste die hier overzomerden, soms met een lijf vol hagelkorrels. …

In april zijn de kieviten aan het broeden, op eieren die in een kuiltje in het gras liggen. Dat gras kan een weiland zijn, of een plukje op een akker, die aan de ploeg en gifspuit is ontsnapt. Terwijl de kieviten hun ei al kwijt konden, zijn kemphanen even in Nederland op doorreis van hun winterverblijven naar hun broedgebieden in Scandinavië en Rusland. De mannetjes ruien al naar hun witte, bruine of zwarte kraag waarmee ze straks om de hennetjes zullen kempen. Smienten moeten nog aan hun voorjaarstrektocht beginnen. Sinds de herfst lopen ze door de Nederlandse weilanden te grazen.





