Honderdduizenden koperwieken

Het gaat in oktober rap met de vogeltrek. De eerste week zag ik nog zwaluwen en zwartkopjes, een week later is het luchtruim, behalve door ganzen, overgenomen door koperwieken en kepen. Beide komen uit Scandinavië, Finland en wellicht Rusland om in Nederland te overwinteren, of om verder naar het zuidwesten te vliegen.
Kepen zijn de Scandinavische neven van onze vinken. Koperwieken zijn de Scandinavische en IJslandse neven van onze zanglijsters. Ze trekken vaak ’s nachts in groepen, elkaar bij de les houdend met schrille piepjes. Overdag willen ze wel pauzeren in een lijsterbes, kardinaalsmuts of hulst (foto) of andere bron van bessen. Dan blijken koperwieken wat kleiner en iets bruiner te zijn dan de wat grijzere zanglijsters, met een scherp afgetekende wenkbrauw en kaaklijn. Op hun flanken hebben ze roodbruine vegen langs de vleugels. Als ze die vleugels strekken, dan zie je dat die vegen de onderranden van hun roodbruine oksels zijn. …








