Twintig roeken

De roeken zijn er weer. Vorig jaar zag ik op een vaste plek steevast een groep van twintig roeken. Ze stapten rond, in het gras pikkend, zaten op een hek met elkaar te kwekken en vlogen een eindje, om daar in het gras te pikken. Als ik een kijker of camera richtte, sloegen ze op de vlucht.
Roeken zijn schuw, zoals alle kraaiachtigen, vooral als mensen iets langwerpigs op hen richten. Kennelijk worden ze nog zo vaak beschoten, dat ze maken dat ze wegkomen. Of zou de angst voor geweren in het collectieve roekengeheugen gegrift staan?
Roeken pikken in het gras om emelten te vangen. Spreeuwen doen dat ook. Golfbaan-greenkeepers verwelkomen daarom spreeuwen, omdat emelten de grasmat vernielen. Roeken worden niet verwelkomd, omdat zij tijdens de jacht op emelten de grasmat nog erger vernielen dan die emelten zelf. …
Ooit wandelde ik twee maanden door Nepal en in een winkeltje kocht ik een zak donkerrode snoepjes voor onderweg. Ze zagen eruit als kleine zuurtjes en smaakten ook zo. Maar na korte tijd begon mijn mond ervan te branden. Peper.





