Junivlinder

In Groningen zie ik ze nooit, maar uit Brabant en Limburg krijg ik wel eens een melding van een phegeavlinder. Zo’n melding komt dan eind juni, als de zomerse vlinders hun glorietijd beleven.
Het leefgebied van phegeavlinders bestaat volgens de Vlinderstichting uit bloemrijke graslanden, bosranden en bospaden in droge dennenbossen, oude steengroeven en open plekken in het bos. Bloemrijke graslanden zijn er niet zoveel meer, oude steengroeven moet je ook maar net eens tegenkomen, maar bosranden en open plekken zijn er genoeg. Daar zetten de vrouwtjes hun eitjes af op paardebloemen, dovenetels, weegbree en zuring – algemene bloemen. In hun leefgebied kunnen phegeavlinders dan ook talrijk worden. Daarbuiten niet, al zwerven soms een heel eind weg. …
Spreeuwen eten larven, rupsen, zaden, vruchten, kliekjes. Met hun scherpe oogjes zien ze de kleinste gaatjes in het gras, waar emelten onder huizen. Emelten zijn de larven van langpootmuggen. Een spreeuw boort zijn snavel in het gras, opent hem ondergronds en hapt de emelt vast. Op dezelfde wijze vangt een spreeuw de rupsen van grasworteluilen. Fladderend als een biddende torenvalk plukt een spreeuw insecten uit struiken en uit het riet. Spreeuwen vliegen uit de haven garnalenkotters tegemoet om garnalen te snaaien, ze eten de aardappelkliekjes op het gras in de tuin en de donutkruimels bij de kraam op het stationsplein. 






