Op Schiermonnikoog wandelde ik met hond door de duinen. Hond volgde de sporen van muizen, fazanten en een haas. Ik luisterde en keek naar grasmussen, braamsluipers, tuinfluiters, graspiepers en blauwborstjes.
Ineens vloog er iets op ooghoogte voor me langs. Roestbruin, formaat spreeuw, een stuk groter dan een grasmus. Mijn indruk was een mannetje grauwe klauwier. Die heb ik rond 1980 eens op Schier gezien, toen waren ze al heel zeldzaam. In de nieuwe eilander avifauna Schiermonnikoog: wat er broedt en vliegt, lees ik dat het laatste broedgeval plaatsvond in 1992 of ’93. In heel Nederland kwijnde de soort weg. Het is een broedvogel van dichte bosjes en bosranden met meidoorn en sleedoorn. Dankzij de schaalvergroting in de landbouw is naar schatting 300 duizend kilometer haag gerooid. Klauwieren eten muizen, hagedissen en grote insecten, geen vanzelfsprekende bewoners van het buitengebied meer. De soort verdween uit ons land, op een bolwerk na in het Bargerveen. …
In de tuin zag ik twee kleine hommels paren op een paardenbloem. Het bleken geen hommels te zijn maar op hommels lijkende zweefvliegen: grote narcisvliegen. We hebben inderdaad narcissen in de tuin, en andere bolgewassen, en daar zijn narcisvliegen gek op. De vrouwtjes zetten na de paring eitjes af op of bij narcissen. Zeker de kleine tète-à-tète-narcisjes vinden ze lekker. Die krijg ik in de winter weleens van een bezoeker en als ze zijn uitgebloeid zet ik ze in de tuin. Maar ze redden het vaak niet. De doorgeteelde narcisjes zijn kennelijk een gemakkelijke prooi.
Toch vind ik dat kras want ik zie in juni, als de narcisvliegen hun piektijd beleven, weinig narcissen meer. Die zijn uitgebloeid en weggeteerd. De tète-à-tètes verdwijnen nog vroeger. Maar hier en daar vind ik nog een verfomfaaid en vergeeld blad of een stengel. En narcisvliegen zien die misschien ook. Ik kan nergens informatie vinden over hoe narcisvliegen narcissen en andere bollen vinden. De uitgebloeide wilde hyacinten zijn er nog, maar de dwerghyacintjes zijn al lang helemaal weg, evenals sneeuwklokjes en krokussen. Toch leggen de vliegen hun eitjes op of bij een narcis of andere bolplanten. Ze zullen de bollen wel ruiken. …
Jakobsvlinder vliegt naar links. Foto Koos Dijksterhuis
Elk jaar is het weer spannend of er Jakobsvlinders in onze tuin verschijnen. De zwart met rode schoonheden heb ik jaren geleden als rupsen in mijn toenmalige tuintje uitgezet. Daar fladderden ze een klein jaar later dan rond, maar soms kwamen daar weer zoveel rupsen van, dat de hoeveelheid Jakobskruiskruid ontoereikend was. Destijds heetten Jakobsvlinders nog Sint-Jacobsvlinders.
Sint-Jacobsvlinders worden sinds vorig jaar Jakobsvlinders genoemd, alsof de c de heiligheid bepaalt. Dat is te danken aan de aanname dat de vlinder naar zijn waardplant Jakobskruiskruid genoemd is, en niet naar de apostel Jacobus. Dat zal best, maar naar wie is Jakobskruiskruid genoemd? Alsnog naar de apostel Jacobus. Dat was Jacobus de Meerdere, en niet Jacobus de Mindere. Onder de twaalf apostelen waren twee Jacobi en die kregen bijnamen. …
‘Bonenplanter’ werd de spotvogel vroeger genoemd, lees ik in Schiermonnikoog: wat er broedt en vliegt, het nieuwe overzicht van de eilander vogels, zie het Natuurdagboek van gisteren. Spotvogels arriveren in de loop van mei uit Afrika, in de periode dat de bonen geplant werden. Bonen zijn helaas geen gangbaar gewas meer in Nederland en de spotvogel heeft zijn bijnaam verloren.
Nu is spotvogel ook een fraaie naam. Onze tuin in Paterswolde lijkt een uitstekende plek voor spotvogels. Er zijn bomen, dichte struiken, hoge planten, lage planten, hoog gras en kort gras. Rupsen en insecten genoeg, schuilplaatsen, alles wat een spotvogel begeert. In Noord-Drenthe hield de soort het nog relatief lang uit, maar de voormalige erfvogel lijkt uit Drenthe zo goed als verdwenen. Landelijk werd het aantal spotvogels rond 2019 door Sovon Vogelonderzoek geschat op twaalf- tot achttienduizend. Het aantal slinkt, wat met klimaatverandering te maken kan hebben. Het areaal waar spotvogels leven schijnt noordwaarts te verschuiven. Van Schiermonnikoog kun je echter niet naar het noorden. …
Drieteenstrandloper op Schiermonnikoog. Foto Koos Dijksterhuis
Thijs de Boer van Schelpenmuseum Paal 14 op Schiermonnikoog maakte samen met de eilander vogelaars Gerard Glerum en Ardie Noorman het boek Schiermonnikoog:wat er broedt en vliegt, de avifauna van een waddeneiland.
Het eilander vogelboek past in de traditie van toegankelijke natuurboekjes die De Boer eerder maakte, maar Wat er broedt en vliegt is veel groter en uitgebreider. Alle vogels die van 2000 tot 2025 minstens drie keer op het eiland zijn gezien, staan erin met een foto en beschrijving. Vogels die zich maar één of twee keer lieten zien, en vogels die langer dan 25 jaar geleden voor het laatst langskwamen, worden slechts opgesomd. …
Goed nieuws uit de natuur: het beekmijtertje neemt toe. Beekmijtertjes zijn piepkleine lentepaddenstoeltjes die in beekjes of beekbeddingen groeien. Een plas wil ook wel, mits geen modderige janboel maar met schoon en helder kwelwater.
Natuurliefhebber en -fotograaf Piet Bijma uit Feerwerd stuurde mij een prachtige foto van de gele kleinoodjes en wilde me ze wel laten zien. Tijdens een onweerswolkbreuk bogen wij ons over de zwammetjes.
De eerste plek die hij kende was alweer bijna leeg. We vonden drie jonge exemplaren, half zo groot als een lucifer. Een witte lucifer met een gele kop. Er hadden er veel meer gestaan, maar het was al juni en beekmijtertjes zijn er in april en mei. Zwammen zijn er vaak maar even. …
Mi-vlinder (onder) en Gamma-uil (boven) Foto Koos Dijksterhuis
Mi-vlinders zijn nachtvlinders, maar als je ze wilt zien moet je op klaarlichte dag als de zon schijnt door klavervelden struinen. De vlinders zijn gemakkelijk te verstoren, waarbij ze een klein stukje vliegen en weer gaan zitten; ze zitten vaak met licht trillende vleugels op een blad. Dat trillen met de vleugels beheersen gamma-uilen nog beter.
Mi en gamma zijn een Romeinse respectievelijk Griekse letter. De mi verwijst naar de m die op elk van de vleugels van de mi-vlinder staat. De gamma-uil heeft op iedere vleugel een gamma, je zou die letter de Griekse voorloper van onze g kunnen noemen, al staat ie in het Griekse alfabet op de derde plek, waar bij ons de c staat.
Gamma-uilen zijn ook nachtvlinders, en zijn zowel ’s nachts als overdag actief. Vooral in de schemer komen ze in actie en kun je ze soms massaal van bloem naar bloem fladderen. Ze lurken nectar terwijl ze razendsnel blijven klapwieken. Dat doet ze lijken op kolibrievlinders. Gamma-uilen kunnen net als kolibrievlinders vliegend drinken, maar gaan er ook vaak bij zitten, hoewel hun vleugels dan blijven wapperen.
Overdag zie ik ze vaak laag boven de grond op bloemen zitten, klavers bijvoorbeeld, of – later in de zomer – munt. Dan vliegen ze verstoord voor me op. Ze strijken ‘s nachts neer op kamperfoelie en teunisbloem, twee planten met nachtelijk geopende en geurende bloemen.
Gamma-uilen zijn trekvlinders uit het Middellandse Zeegebied. Ook daarin lijken ze op kolibrievlinders. En op distelvlinders, wat dan weer dagvlinders zijn. Hoewel het deze lente vaak uit het noorden waaide, zijn gamma-uilen en distelvlinders in groten getale tegen de wind opgetornd. Misschien krijgen we ook nog een invasie van kolibrievlinders.
Mi-vlinders en gamma-uilen zijn niet de enige vlinders met Latijnse of Griekse belettering. Nachtvlinders kennen hun klassieken! Er bestaat ook een (zeldzame) ni-uil en verder is er de prachtige jota-uil. Die komt op een paar plekken in ons land voor, onder andere in Noord-Drenthe, waar ik woon. Vliegtijd juni en juli, dus kom maar op!
Al jaren zit ik lekker in de olie
Het zwarte goud noem ik beslist geen slijk
Der aarde, maar van waarde; ik ben rijk
Zo zijn er meer, ik heb geen monopolie
Al is mijn bijnaam wel de oliesjeik
Ik riep vergeefs naar Trump en Khamenei
Dat ik nu echt eens door naar Rotjeknor moes
En dat ik de pineut ben en the war loose
Maar desondanks geeft men die zee niet vrij
En blijf ik liggen voor de Straat van Hormuz
Als kind zag ik vaker een eekhoorn dan als volwassene. Ik zat als kind ook vaker in een bos waar eekhoorns leefden. Maar sinds twee jaar loop ik wekelijks door bossen waar ze voorkomen. Ik zie ook weleens een eekhoorn, maar bepaald niet vaak. Ik vind het altijd een feestje.
Ze schijnen inderdaad achteruit te gaan, al wordt hun aantal al geruime tijd op 25 duizend geschat. Je kunt als soort misschien maar beter achteruitgaan, want wie het voor de wind gaat wordt door de mens bestreden: wolven, ganzen, ratten. …
Klaverspanner (boven, foto Koos Dijksterhuis) en Aardbeivlinder (onder, foto Erik Sanders)
Net als vorig jaar zocht ik in mei op Schiermonnikoog naar aardbeivlinders. Of: naar een aardbeivlinder, want één zo’n beestje zou mij al heel blij maken. Net als toen bezocht ik alle bloemrijke duinvalleien waar ik kans dacht te hebben. En net als vorig jaar dacht ik na tientallen gamma-uiltjes, mi-vlinders, Icarusblauwtjes, hooibeestjes en een paar Jacobsvlinders eindelijk beet te hebben…
De duinvalleien waar ik zocht waren vochtige, kalkrijke plekken, waar het kwelwater nog niet opgedroogd was in de dagenlang door geen wolk belemmerde zon. Er bloeiden orchideeën, brede ereprijs, kleine ratelaar, egelboterbloem, Spaanse ruiter, echte koekoeksbloem, rolklaver, wateraardbei en tormentil. Op de zandige duinhellingen eromheen grepen dauwbramen met hun uitlopers om zich heen. …