Klapekster is wintergast

Klapekster is wintergast

Klapekster Foto Koos Dijksterhuis
Klapekster. Foto Koos Dijksterhuis

Een klapekster is geen ekster maar een klauwier. Klauwieren zijn zangvogels die zich gedragen als roofvogels. In de zomer hebben we in Nederland de grauwe klauwier, in de winter de klapekster. Een klapekster heet ekster omdat hij ook zwartwit is, wat hij echter combineert met een grijze kruin, rug en stuit.

Klapeksters zijn tegenwoordig wintergasten uit vooral Scandinavië. In de tweede helft van de twintigste eeuw broedden ze nog bij ons. Hun aantal slonk gestaag tot in 1999 het laatste broedgeval werd vastgesteld. Hun verdwijning komt waarschijnlijk door verlies van leefgebied en prooienaanbod.

Tegenwoordig komen ze als wintergasten, in kleine aantallen. Volgens Sovon Vogelonderzoek overwinteren bij ons drie- à vierhonderd klapeksters. Die laten zich dan wel weer gemakkelijk zien. Ze verblijven in open en halfopen terrein, zoals heidevelden, duinen, verwilderde landbouwgrond en hoogvenen. Daar zitten ze dan boven in een vrijstaande boom of struik. Ze houden de omgeving scherp in de gaten en storten zich vanuit hun uitkijkpost op een mogelijke prooi: muis, mestkever, zangvogel of kikker. Kikkers zijn er in de winter nauwelijks, maar in maart beginnen ze zich te roeren, terwijl er dankzij de voorjaarstrek dan wat meer klapeksters zijn. Wat zangvogels betreft kunnen ze prooien van leeuwerikenformaat aan.

Zoals alle klauwieren spietsen klapeksters hun prooien levend op een doorn of prikkeldraad, of klemmen ze hun slachtoffers vast in een V van takken. Zo bouwen ze een voorraadje op, dat ze in de avondschemer soldaat kunnen maken. Dan wordt het te donker voor de jacht en hebben ze alle tijd. Zo gebruiken ze de periode van daglicht tijdens de korte winterdagen optimaal.

Tot in mei worden er klapeksters gezien, en soms blijft er één de hele zomer hangen. Door onze stikstofverslaving zijn er maar weinig gebieden waar genoeg prooidieren voor het grijpen zijn om jongen mee op te voeden – onder de door stikstof gevoede wildernis van grassen zijn prooien niet te vangen. Daarbij moet zo’n overzomeraar maar net een tweede overzomeraar treffen, die van de andere kunne is en met wie het ook nog klikt. De kans is klein maar niet nul, dat er ooit weer in Nederland gebroed wordt.

(Natuurdagboek Trouw, vrijdag 6 februari 2026)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *