Klevers en kruipers

Kunt u een boomklever en een boomkruiper uit elkaar houden? Beide vogelsoorten leven in bomen en kunnen tegen de stam op klauteren. Daar houden de overeenkomsten op. Ze lijken niet op elkaar, behalve dan in hun naam.
Boomklevers zijn groter, dikker en zwaarder dan boomkruipers. Klevers hebben een lange, rechte, dikke snavel. Kruipers hebben een dun, krom snaveltje. Klevers hebben een grijze rug, een oranje buik en kont en een zwart maskertje. Het enige witte is hun keel. Kruipers zijn wit met bruin. Klevers hangen soms aan de onderkant van een tak en kunnen ook met hun kop naar onder gericht langs een stam afdalen, terwijl kruipers zelden naar beneden kruipen en dan nog in de achteruit.
Boomklevers en boomkruipers zijn het hele jaar in Nederland te zien en te horen. Boomklevers zijn het duidelijkst hoorbaar. Het zijn notoire kletsmajoors. Ze jagen achter elkaar aan door de kruinen en roepen elkaar van alles toe. Herkenbare klevergeluiden zijn trillers en zwiepers. Boomkruipers zingen en roepen schelle, bijna onhoorbaar hoge piepjes. Ze spiralen vaak om een boomstam omhoog, om vervolgens naar de voet van een volgende boom te vliegen.
Boomkruipers zoeken larven en spinnetjes, en doen dat graag onder loszittende boombast, waar ze ook nestelen. Boomklevers broeden in holen: oude spechtenholen of nestkasten bijvoorbeeld. Een spechtenhol heeft een te wijde opening, die met modder op maat wordt gemetseld. Een nestkast heeft eerder een te nauwe opening, die eerst wat groter gehakt moet worden, maar waar als het even kan ook met modder aan geboetseerd wordt.
Boomkruipers zijn iets meer geneigd tot het koloniseren van op afstand gelegen bossen, parken en tuinen. Ze komen zelfs op de Waddeneilanden voor, die voor boomklevers wel erg ver weg zijn. Die deinzen terug voor open terrein, zeker als er binnen ongeveer drie kilometer geen bos te verwachten is.
Boomklevers en boomkruipers komen beide voor in de betere tuinen, maar boomklevers laten zich vaker verleiden tot vetbollen en zaden. Boomkruipers komen alleen op de voedertafel als daar insecten of hun larven te vinden zijn.
(Natuurdagboek Trouw, donderdag 5 februari ’26)