Middenin de stad zat op een vlinderstruik een enorme zweefvlieg. Het bleek een stadsreus te zijn. Ik vond dat een toepasselijke naam. Ik kreeg hem moeizaam op de foto. Het dier was beweeglijk en een beetje angstaanjagend. Al weet ik dat een zweefvlieg niet steekt, toch schrikt dat zwart-geel gestreepte af. En dan ook nog zo’n joekel… Met 2,5 centimeter toch 2,5 keer de lengte van een gewone pyjamazweefvlieg en veel breder en forser. Maar de stadsreus is een watje dat geen vlieg kwaad doet: hij eet stuifmeel en nectar.Mimicri heet de imitatie van gevaarlijke dieren, opdat belagers terugdeinzen. Het werkt zo goed, dat de meeste mensen zweefvliegen eng vinden en het liefst doodslaan. Dan schiet het imiteren zijn doel voorbij en werkt het averechts. …
We stappen langs de waterlijn op het Noordzeestrand van Schiermonnikoog. Drieteenstrandlopers dribbelen mee, sommige nog roestbruin van hun zomerkleed. Er zijn meer gevederde poolreizigers op de terugweg: bonte strandlopers, kanoetstrandlopers, rosse grutto’s vliegen langs. Een steenloper rent langs aangespoelde bosjes zeewier. De vogels hebben op de toendra gebroed, in Groenland of Siberië. Ze overwinteren hier of verder zuidelijk, tot Zuid-Afrika aan toe. Grote sterns leren hun jongen zandspiering vangen: als witte pijlen schieten ze met ingeklapte vleugels de zee in. Die hebben gebroed op de wadden, vermoedelijk op Griend, waar een grote broedkolonie is. Maar met hun vliegvlugge jongen stropen ze de kust van Schier af, waarvan ze uitrusten op het Oosterstrand. …
Op het platteland van Oost-Duitsland is het sinds de Wende nog niet gelukt met Europese subsidie alle akkers net als in het westen te steriliseren van korenbloemen, klaprozen, margrieten, houtwallen, bosjes en verruigde hoekjes. De vooruitgang kost tijd.
Het Oost-Duitse platteland heeft nog prachtige velden en akkers met meidoorns en kruidige randen. Daar leven knaagdieren, grote insecten en zangvogels. En dat zijn weer prooien voor roofdieren. Vlak over de vroegere grens zien we al zwarte en rode wouwen cirkelen en drie keer een grauwe kiekendief jagen.
Grauwe kiekendieven zijn de rankste roofvogels ter wereld: ze wegen een paar ons, maar met hun lange staart en vleugels zijn ze behoorlijk groot.
Ik heb meerdere akkerbouwers horen zeggen dat ze van die vogels genieten, terwijl ze op het land werken.
We wandelen door een enorme weide. Het zandpad is omzoomd met bloemen als vlasbekje, zandblauwtje, hazepootje en knoopkruid. Het zoemt en tjirpt van de bijen, zweefvliegen, kevers, krekels en sprinkhanen. Vlinders dwarrelen met ons mee. Veldleeuweriken vliegen her en der op. Bij een dobbe, een drinkplasje voor vee, staan een paar wilgjes in de rietkraag. Op vijf wilgjes zit een grauwe klauwier: een gemaskerde zangvogel met stevige snavel, die muizen, hagedissen en insecten eet. Echt een vogel van ouderwets boerenland.
Alweer een grauwe kiekendief zweeft voorbij. In de verte zit een enorme roofvogel op een prooi: een visarend.
En door een stoppelveld stappen twee kraanvogels, één van de mooiste vogels van Europa, en gek op oogstresten van maïs, graan en bieten.
Wat een feest, zo’n veld. In Nederland proberen we met veel moeite ook onze verdwenen akkernatuur te herstellen. Het is maar wat je vooruitgang noemt.
Het meer in de Oost-Duitse dennenplantages heeft een strandje, een primitieve camping en twee rommelige blokhutten die elkaar beconcurreren met allerlei blikvoer, snacks, Brat- und Bockwürste voor DDR-prijzen. Het ene loket wordt gerund door een militante matrone.
Haar buurman is een aimabele vent met pretogen. Bij hem zitten we een tijdje op plastic stoelen. We kijken naar de weinige campinggasten die zich te water laten – spiernaakt volgens Oost-Duits gebruik.
Na een elegante prooi-overdracht van kiekendiefman aan kiekendiefvrouw passeert een zwarte wouw. Ook al zo’n vliegvlugge roofvogel die van water houdt. …
Vanuit Berlijn is het een uur treinen naar Lübbenow, in het Spreewald. Dat gebied lonkt mij al jaren toe. Een kleine binnendelta van de Spree, met zompige velden rond meerdere rivierlopen, en veel bos.
Op de detailkaart staan horeca en andere voorzieningen, en in het hart van het Naturschutzgebiet rond Lübbenow wemelt het ervan. Na een half uur jaagt een potige conductrice ons de trein uit. ‘Raus!’ snauwt ze. Een eind buiten het station staat een bus naar Lübbenow, maar die is vol. De volgende komt al gauw en met anderhalf uur vertraging bereiken we het Spreewaldstadje. …
Berlijn is een groene stad, misschien wel de groenste hoofdstad van Europa. Vooral in het vroegere Oost-Berlijn zijn veel parken en parkjes. Er hoeft ergens maar een boom van voor de Wende te staan, of hij is omheind en voorzien van een groen driehoeksbord met de uitleg: Gartendenkmal. …
Op weg naar Berlijn verandert de zwarte kraai in de bonte. De zwarte is helemaal zwart. De bonte is zwart met een grijze buik en rug.
Verder zijn ze eender: even groot, dezelfde vorm, dezelfde zware snavel, hetzelfde wijdbeense loopje, dezelfde schrandere schuwheid: van vlakbij iets eetbaars wegsnaaiend maar vluchtend zodra je blik, wijsvinger of camera naar ze richt. …
Na de lange, droge lente volgde de lange, natte zomer. Sommige bloemen leken op de regen te hebben gewacht. Op Schiermonnikoog barstten de orchideeën, parnassia’s en andere duinbloemen uit de grond.
De orchideeën zijn uitgebloeid, maar parnassia’s bloeien nog. Er staan er duizenden. In de vochtige duinvalleien, maar ook langs het buitenduinse pad over het strand. Bij Schut, de Schiermonnikoger supermarkt, kom ik de eilander plantenexpert Wim Penning tegen. Hij is opgetogen over al die parnassia’s, maar zegt erbij dat het aan het voor de planten gunstige weer ligt. …
De paddestoelen zijn er vroeg bij, dit jaar. Dankzij de zomerregens waren er in juli al veel zwammen. Russula’s, parasolzwammen, eekhoorntjesbrood en andere boleten stonden met brede hoed onder de loofbomen waarmee ze voedingszouten en water ruilen tegen suikers. In Oost-Duitsland, waar ik door het bos wandelde, zochten veel lieden met een mandje aan de arm naar eetbare paddestoelen. …
Valken, uilen, buizerds, kiekendieven, meeuwen, reigers, ooievaars, kraaien, marters, vossen, katten; zoveel dieren eten veldmuis… Zonder veldmuizen kunnen sommige van hen nauwelijks jongen grootbrengen. Kleine vogels bijvoorbeeld hebben minder vlees op de botten dan zo’n mollige muis, die met een decimeter lengte groter is dan de gemiddelde huiskamerhamster. Een veldmuis is een hapklare brok, je kunt hem opschrokken zonder eerst te hoeven plukken. Veldmuizen vinden het niet leuk dat iedereen hen opeet. Ze leven daarom ondergronds. Hun holen liggen zo’n halve meter diep. Soms is de grond doorzeefd van veldmuizenholen. Hun gangen kunnen meters lang zijn en verbinden woon-, kraam- en voorraadkamers. Veldmuisbuurmannetjes houden afstand van elkaar. Ze zoeken in hun eentje voedsel.
Veldmuizen steken ‘s avonds hun snufferd boven de grond. Hun strooptochten duren ongeveer drie uur. Ze eten planten en zaden. Ze eten zelfs de harde sprieten van russen en natuurbeheerders zouden zuinig moeten zijn op deze kleine grazers. De knaagdiertjes vermenigvuldigen zich rap. De hele zomer wordt er gepaard. Na drie weken zwangerschap baart het vrouwtje haar jonkies, de gezinsgrootte varieert sterk, maar vijf of zes jongen per worp is gebruikelijk. Nog eens drie weken en de baby’s zijn geslachtsrijp. Een veldmuis kan vier keer per zomer werpen, dus dat gaat snel. Mits de jonge aanwinst genoeg te eten vindt. Veldmuizen zijn weg van graanresten. Met moderne oogstmachines morsen boeren geen korrel meer en wat er achterblijft wordt ondergeploegd. Veldmuizen vormen zelden nog plagen, zoals vroeger, wat vervelend is voor hun reeds opgesomde liefhebbers.
Er bestaan spitsmuizen, woelmuizen en muizen. Spistmuizen eten insecten, woelmuizen planten, muizen alles. Veldmuizen zijn woelmuizen. Ze hebben kleine oortjes en een kort, wollig staartje.