Natuurdagboek

Stoere jagers

Stoere jagers

© Lars Holst Hansen

Ieder jaar worden er plezierjagers doodgeschoten door andere plezierjagers. Jagen is een gevaarlijke hobby. Zweden schijnen veel geld te betalen voor een vergunning om een eland te mogen schieten. Zo’n bonk vlees betaalt zich terug, en als het seizoen op zijn eind loopt, worden de jagers zonder treffer nerveus. In Frankrijk heb ik na lunchtijd wel eens jagers in actie gezien. Het kunnen natuurlijk uitzonderingen geweest zijn, maar nooit was zo’n jager nuchter. Een keer zag ik waar ze geluncht hadden: bij de terreinwagens. Er lag een stapel lege flessen. In Rusland zuipen ze zich bij het ontbijt al klem. Regelmatig halen absurde jachtongelukken uit Rusland de buitenlandse pers. Vorige week deed een 68-jarige jager aangifte van een ongelukje. Hij had zijn 26-jarige schoonzoon door het hoofd geschoten. Dood. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Invasie van springend zaad

Invasie van springend zaad

Klein springzaad, © Koos Dijksterhuis

Klein springzaad is een plant die kinderen tot de verbeelding spreekt. Mijn kinderen vinden leuk wat ik als kind ook leuk vond: de rijpe springzaden aanraken. Dan knappen ze open en schieten de zaadjes decimeters weg, als duveltjes uit doosjes. Je weet dat het gaat gebeuren en toch schrik je altijd even. Soms moet je licht knijpen om de zaadjes te laten springen. Toch kan zo’n groen, langwerpig peultje er dik en rijp genoeg uitzien, maar nog onrijpe, witte zaadjes bevatten. Die knijp je zonder resultaat fijn. En dat heeft iets spijtigs, er wordt zowel een plantje als een projectiel in de kiem gesmoord. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Eigen schuld van de grutto

Eigen schuld van de grutto

Grutto, © Hanneke Geerdink

Vlak voor mijn vakantie op Schiermonnikoog lees ik het laatste nummer van het vogeltijdschrift Limosa. Er staat een stuk in over tellingen van jonge grutto’s. Er is nog niet zoveel bekend over waar die zich verpozen als ze in de zomer op eigen benen staan. Hun eerste zomer dus, nadat ze net zijn groot gebracht. Een vrij grote verzamelplaats blijkt te liggen in de polder van Schier. En warempel, uit de bus van de boot zie ik er tientallen door de weilanden stappen. Ze zijn grijs, net als de jonge storm-, zilver- en mantelmeeuwen, grijs als de lucht die deze zomer maar amper zijn wolken weet af te schudden.

Verrassend, uitgerekend Schier als verzamelplaats van jonge grutto’s. De weiden zijn rimpelloos begroeid met Engels raaigras, sommige percelen voor een seizoen ingezaaid met maïs. Deze landbouwgrond moet zo langzamerhand doordrenkt zijn van drijfmest. Als kind woonde ik bij het bos, waar in april geen grutto’s te horen waren. Maar op Schier werd ik in vele paasvakanties verwend met het ‘o-grut-o-grut’ van de vogels. De laatste jaren echter is dat koor gedempt tot een enkele solo.

En dan toch tientallen jonge grutto’s. Ze zijn er waarschijnlijk niet allemaal uitgebroed, ze komen waarschijnlijk ook van het vasteland. Misschien dat ze juist op de zwaar bemeste graslanden wormen vinden – ook kauwtjes, spreeuwen, kieviten en bovengenoemde meeuwen zie ik er wel; die lusten best een worm. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Koolwit op paars

Koolwit op paars

Klein koolwitje op distel, © Koos Dijksterhuis

Er vliegen nog veel koolwitjes. Koolwitjes een klontje van enkele eitjes af onder bijvoorbeeld een koolblad, dat de rupsen vervolgens opeten. Na een tijdje settelen de rupsen zich in het hart van de kool. Tuinders zien de witte vlinders daarom als verschrikking. Biologische bestrijding kan met sluipwespen. Sluipwespen leggen hun ei in de rups. De sluipwesplarve eet de rups op en verpopt zich vervolgens tot sluipwesp. Op koolwitjes parasiteert bovendien een sluipwespje van een halve millimeter. Dit wezentje, Trichogramma brassicae, kan ruiken wanneer een koolwitmannetje met een vrouwtje gepaard heeft. Het piepkleine sluipwespje gaat op de vrouwtjesvlinder zitten en lift mee. Als de vlinder eitjes afzet, kruipt het sluipwespje op de vlindereitjes en legt ze haar eigen eitje in een vlinderei. Het sluipwesplarfje heeft dan een heel vlinderei tot zijn beschikking. Na anderhalve week komt er geen rups uit het ei, maar een sluipwespje. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Hagedis zonder poten

Hagedis zonder poten

Hazelworm, © Koos Dijksterhuis

We lopen door een bos en een hazelworm steekt kronkelend het pad over. Hij meet zo’n 45 centimeter. We denken meteen aan een kleine slang. Maar een hazelworm is geen slang, het is een op een slang lijkende hagedis zonder poten.

Hazelwormen steken net als slangen steeds hun tongetje uit. Dat tongetje is wat minder gespleten dan slangentongen, maar gespleten is het wel. Hazelwormen hebben knipperende oogleden, slangen lijken ooglidloos. Het ooglid van slangen is een soort raampje voor het oog. Slangen leggen eieren, hazelwormen niet. Ze baren levende jongen die meteen op eigen benen staan, als ze die hadden. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Tjiftjaf in de tuin

Tjiftjaf in de tuin

Tjiftjaf + nest, © Gertjan Wismeier

Zondag hoorde ik een tjiftjaf in de tuin. Hij herhaalde minutenlang zijn naam. In april en mei was het getjiftjaf niet van de lucht. De ene na de andere tjiftjaf zweeg en nu begint een enkeling weer. Die is op trek naar het zuiden. Tjiftjaffen zijn kleine, bruingroene vogeltjes. Ze scharrelen door boomkruinen en struikgewas, liefst dicht struikgewas als braam, waarin even boven de grond nestelen. Net als fitissen zijn ze zeer algemeen. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Die ellendige muggen

Die ellendige muggen

Steekmug Aëdes nigripes, © Koos Dijksterhuis

Vier jaar geleden was ik op Schiermonnikoog tijdens een muggenplaag. Een natte periode werd gevolgd door een warme en de plassen wemelden weldra van de muggenlarven, waarna de muggenzwermen Laplandse proporties kregen. Overdag kon je ook in de zon niet buiten zitten, of je moest al een bolknak roken. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Pyjamazweefvlieg op roos

Pyjamazweefvlieg op roos

Pyjamazweefvlieg op roos, © Koos Dijksterhuis

Sommige lenteplanten bloeien in de nazomer nog even op. Minder dan in de lente, maar toch. De klimroos tegen mijn achtergevel geeft in augustus een bonus van enkele dieprode bloemen. Vooral met de zon erachter zijn die mooi. Alsof dat nog niet genoeg is, strijkt er een zweefvlieg op neer, een pyjamazweefvlieg. Die heet zo naar zijn streepjespakje. Niet zozeer de zwart-gele streepjes, maar de grijze lengtestrepen bovenop zijn glanzende, koperkleurige borststuk.

Als deze zweefvlieg een pyjama draagt, is het een dunne zomerpyjama, bij het doorschijnende af. De zon schijnt dwars door de zweevlieg heen. Nu schijnt hij dus door zwel de zweefvlieg als de bloem. Een zeldzaam natuurverschijnsel is het niet, wel zeldzaam mooi.

Pyjamazweefvliegen hangen met snorrende vleugels stil in de lucht, om ineens een meter weg te schieten. Ze zijn algemeen in tuinen en waar niet al, zelfs op het strand vliegen ze. Ze zijn dan ook niet kieskeurig over voedsel – ze lusten de nectar en het stuifmeel van bijna alle bloemen, al zijn schermbloemigen favoriet. Hun larven zuigen bladluizen uit. Dat maakt de zweefvliegen populair bij tuinders als biologische luizenbestrijders.

Pyjamazweefvliegeneutjes zijn wit en langwerpig. Een vrouwtje zet ze tussen de bladluizen af, meestal aan de onderkant van een blad. Na een paar dagen komen ze uit temidden van een feestmaal.

Als bladluislarven besef hebben van hun bestaan, zouden ze toch spontaan geloven in een Helpende Hand? Die hand is er ook: hun moeder, maar waarschijnlijk weten ze dat niet. De larven zijn een beetje doorzichtig, ze glimmen en lijken op platte rupsjes. Als de larven zich verpoppen, lijken ze op bruine kloddertjes.

DELEN
Noordkrompkampioen

Noordkrompkampioen

Noordkromp, © Koos Dijksterhuis

Als we op Schiermonnikoog zijn, hoort een tochtje naar de Balg erbij, de weidse zandplaat aan de oostpunt van het eiland. Zoon van 9 kijkt ernaar uit. Vorig jaar vond hij zijn eerste noordkromp en zijn verwachtingen zijn hoog gespannen. Dochter van 13 mag met logerende vriendin thuis blijven, maar nee, ze wil best mee, al voegt ze nuffig toe dat zoon en ik vooral schelpen moeten zoeken of wandelen als we zo nodig willen, maar dat vriendin en zij gaan zonnebaden.

De broodjes worden gesmeerd, de flessen gevuld, de banden opgepompt en de roestige barrels bestegen. Het lijkt warm te worden, maar eenmaal op het strand drijven sombere wolken uit het westen aan. We zoeven over het zand voor de wind de tien kilometer naar paal 16. De wind striemt het zand tegen onze benen, de blote voeten krijgen ervan langs. ‘Kom’, zegt dochter opgewekt, ‘we gaan naar de punt’. Nee maar, anders is ze hooguit na een half uur smeken, vleien, dreigen en dwingen bereid tot een mokkend ommetje waarin ze elke tien seconden vraagt of we al teruggaan. ‘Je kunt er zeehonden zien’, voegt ze toe ter overtuiging van vriendin. Daar benen ze weg, langs de vloedlijn.

Zoon en ik zigzaggen over het hogerop gelegen zand. Helaas is er geen oostenwind geweest die het stuifzand wegblies. De westenwind voert juist stuifzand aan. Toch zijn er schelpenveldjes en we vinden gedoornde en noordse hartschelpen, otterschelpen, tepelhorens, wulken en oesters, maar geen noordkromp. Noordkrompen zijn grote, stevige schelpen uit noordelijke zeeën. De Waddeneilanden zijn de zuidgrens van waar je ze kunt vinden, en de oostpunt van Schier is daarvoor de beste plek. De noordkromp is het oudst wordende dier ter wereld en haalde daarmee de superstatus op de dierenplaatjes van Albert Heijn en Wereldnatuurfonds. Een noordkromp kan vier-, vijfhonderd jaar oud worden maar wordt in de Noordzee lang voor hij zo bejaard is al verbrijzeld door de kettingen van sleepnetten. De kleppen op het strand liggen er al jaren.

Eindelijk bereiken we de punt. Het is bijna hoog water, de Balg is op zijn kleinst. Toch hebben we er twee uur over gedaan. Zoon is moe en baalt ervan dat de noordkrompen niet voor het oprapen liggen. Enig vertier bieden de zeehonden, die met honderden op Simonszand liggen, achter de geul, van wie er twee op tien meter afstand watertrappelend uit het water oprijzen. Ze koekeloeren naar ons, die vreemde snuiters die door hun zee waden.

De duintjes bij paal 16 waar de fietsen staan zijn niet meer te zien. Volgens de gps is de afstand vier kilometer. Vier kilometer zand ten oosten van het eiland. We lopen in een rechte lijn terug. Zoon heeft de hoop op noordkrompen opgegeven. Zijn stemming daalt met iedere stap. Het loopt zwaar door het zachte zand, vochtig van de springvloed en de regen. Ineens ligt er voor mijn voeten een grote noordkromp. Had zoon die maar gevonden, dat zou het moreel goed doen. ‘Die rotbalg’, moppert hij, ‘ik hoef al geen noordkromp meer. Noordkrompen zijn stom.’ Tien meter verderop schopt hij een wulk weg. Maar dan schreeuwt hij plotseling: ‘papa!’ Hij rent op me af met een noordkromp, nog groter dan de mijne. Neuriënd huppelt hij van wulk naar oester. Dochter vindt ook een noordkromp en halverwege de voettocht vindt zoon er nog één. Een reus, een prachtexemplaar. Hij straalt.

De fietstocht over het glibberige pad door het slijk onder de duinrand is zwaar. Tegenwind, diepe slenken waar we door moeten, regendazen die pijnlijk bijten. De meiden ploegen dapper voort, maar zeggen dat ze nooit meer naar de Balg gaan. Zoon valt en moet huilen. Ik duw hem, deel snoepjes uit, geef hem water en houd hem chocola voor. Voorbij het gat in de stuifdijk bij paal 11 wordt het pad steviger. Paard ruikt stal, zoon de ijsjes en sapjes in het strandpaviljoen. Hij fietst steeds harder, hij haalt me in en zegt: ‘ik ben de noordkrompkampioen’. Voor me hoor ik hem neuriën. De zon breekt door en ze mogen bestellen wat ze maar willen. ‘Gaan we deze week nog een keer?’ vraagt zoon. ‘Dan ga ik ook mee’, zegt dochter.

DELEN
Een trap vol mussen

Een trap vol mussen

Huismussen, © Koos Dijksterhuis

Als we het Spreewald verlaten, stappen we rond de middag in Berlijn over op de trein naar Nederland. We hebben ruim de tijd en zoeken bij het enorme, glazen Hauptbahnhof een plekje om onze lunch te smeren. Van Berlijns groene karakter is in de stationsomgeving niets te merken. We strijken neer op de brede trap naast het station. Maar nu wij de stadsnatuur niet kunnen vinden, vindt de stadsnatuur ons. Zodra we ritselen met een zak waarin brood zou kunnen zitten, nemen tientallen, misschien wel honderden mussen de trap in bezit. Wij vormen het epicentrum van de tjilpende vloed. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN