Plaggenhut in den Treek

Op mijn nostalgische fietstocht vanuit Amersfoort kan Den Treek niet ontbreken. Als kind liet ik vaak twee naburig wonende honden uit. Mijn actieradius nam toe met mijn leeftijd: tot Woudenberg struinde ik door de bossen. Ik inventariseerde er broedvogels, mijmerde er over onbereikbare liefdes, keek er naar reeën en groef met een vriendje een ondergrondse hut. Die lag op vijf kilometer afstand van huis op een strikt geheime plek. In een verzegelde envelop had ik hem op een zelfgemaakte plattegrond aangeduid, voor als we niet thuis zouden komen en gezocht moesten worden. Daar kwam het niet van.
Na die en die bocht moest je een zandpad in. Bij de greppel linksaf, zo’n twintig meter onder jonge dennenaanplant doorbukkend. Dan nog een paar meter naar rechts, waar hogere bomen stonden. We zeulden een schep mee en groeven een fikse kuil. Dennenstammen erover, plaggen en naalden. Een luik van plaggen erop en je zag er niets van. Er was een uitkijkboom, er renden eekhoorns om de hut en er waren zwarte sloten waar we overheen en soms in sprongen. In de hut hadden we een kaars, waaraan we onze drijfnatte sokken probeerden te drogen. We fantaseerden over Robin Hood-achtige heldendaden en bespraken puberzaken. …







