Late zomer, vroege lente

Een graadje nachtvorst deert ze niet, veel planten blijven maar doorbloeien. Jakobs- en klein kruiskruid, boerenwormkruid, koekoeksbloem, duizendknoop, kamille, paarse dovenetel, stokroos, kaasjeskruid, akkerkool, duizendblad, zwarte nachtschade – tussen de tegels, in perkjes en aan de voet van straatbomen in de stad bloeien ze alsof hun leven ervan afhangt. In zekere zin hangt hun leven er ook van af. Daarom steken planten, als ze op sterven na dood zijn, hun laatste krachten in een bloem, een vrucht, zaad. Als zaad kunnen ze magere tijden overbruggen. Lukt overleven nu niet, dan later misschien. Ook de winter is een te overbruggen magere tijd. Ik zag een volledig verlepte, bruine tros windestengels in een struik hangen, haagwinde, met één uitbundige, sneeuwwitte bloem eraan.
Tussen de tegels in de stad is het trouwens iets warmer dan in de natuur, of je moet als plant al de meevaller hebben in een beschutte duinpan te staan. Ook daar bloeien sommige planten maar door. …








