Stevige strandschelp Spisula solida Vlieland. Foto Koos Dijksterhuis
Strandschelpen zijn algemeen op het Nederlandse strand. Er zijn grote strandschelpen, stevige, ovale en halfgeknotte. De grote zijn veel groter dan de rest en dun. Ze breken zomaar. De halfgeknotte zijn talrijk. Ze leven niet ver de kust op de bodem in schelpenbanken, daar waar de zee niet zo diep. Zwarte zeeëenden duiken en eten ze op. Ze slikken ze helemaal in en verbrijzelen de schelpen met/in hun gespierde maag. Het gruis poepen ze weer uit. …
We steken bij het Posthuis op Vlieland de buitenste duinenrij over en zien de zee. Het duin is steil, het strand is smal, de zee is blauw en golft tussen twee dammetjes het strand op. Die dammetjes staan dwars op de kust, ze wijzen de zee in. Vrijwel iedereen noemt ze strekdammen, waar waterbouwkundig onderrichte lieden van fronsen. Een strekdam strekt zich evenwijdig aan de kust uit, deze Vlielandse dammetjes heten golfbrekers.
Het maakt de vogels die erop zitten niets uit. Tussen de bazaltblokken hechten zich babymosseltjes, schuilen babykrabbetjes en strandvlooien. De dammetjes blijven bovendien bij vloed deels droog en strandwandelaars wagen zich er meestal niet op. Ideale eet- en rustplaatsen dus voor vogels. Er zit een groep rotganzen op zo’n dam, vlakbij het strand. Op de punt, waar de golven breken, zitten zilver-, storm- en kokmeeuwen, drieteen-, kanoet- en paarse strandlopers, steenlopers en scholeksters. …
Vijf jaar geleden liep ik door de Groningse buitenwijk Lewenborg. Ik woonde in een aangrenzende buurt, waar ik in de zomer een gezin ransuilen had zien vliegen. Ransuilen verzamelen zich ’s winters op een veilige rustplaats voor overdag. Meestal kiezen ze naaldbomen, want die blijven groen. In een kale loofboom zouden ze zichtbaar zijn voor een passerende havik.
Ik doorkruiste de wijk en zag verderop een groep naaldbomen boven de huizen uitsteken. Twee aangrenzende tuinen waren omzoomd met hoge sparren en coniferen. Er zaten witte poepstrepen als siersneeuw op de kersttakkken en op de grond lagen uilenballen vol muizenbotjes en –schedels. Vanuit de bomen loerden tien uilen naar me. …
Op Vlieland fietsen we naar de Kroon’s Polders. Dat is een gekke zin. Het zou ‘naar Kroons Polders’ moeten zijn of ‘naar de Kroonspolders’. Maar op Vlie zijn de polders nou eenmaal de Kroon’s polders, met apostrof. De polders zijn genoemd naar opzichter Kroon van Rijkswaterstaat. Kroon damde tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw vier stukken Posthuiswad in, halverwege het eiland. Vlieland had een wespentaille, waar het in twee delen uiteengedreven zou kunnen worden. En land offeren aan de zee was toen nog ondenkbaar. …
Vriend en ik fietsen over Vlieland, het is ijzig koud. In de buurt van waar de sneeuwuilen gezien zijn, staan drie lieden met telelenzen. Ze kijken naar een duin. Wij kijken naar hetzelfde duin en waarachtig, daar zit een sneeuwuil. Hij heeft een sneeuwwit gezicht in een groot uilenlijf, dat wit is met donkere halvemaantjes. Een jonge uil dus. Volwassen sneeuwuilen zijn witter.
Hij lijkt zijn ogen te hebben gesloten, maar gluurt door twee spleetjes. Zijn kop draait van vogelaar naar vogelaar, hij houdt ons goed in de smiezen. Er moet ook publiek aan de andere kant van het duin zijn, want hij kijkt regelmatig naar achteren. Uilenogen staan naast elkaar, om diepte te kunnen schatten. Dat betekent dat het gezichtsveld kleiner is dan van ogen aan weerszijden van de kop, zoals veel vogels hebben. En daarom moet er gedraaid worden. Een uilenkop draait ongelooflijk soepel. …
De sneeuwuilen zijn al sinds december in Nederland. Ik heb nooit een sneeuwuil gezien, al ben ik vier keer op Groenland geweest en vaker nog op IJsland. Ik heb braakballen van zo’n witte reuzenuil gevonden, maar de uil zelf nooit. Er zat eens een sneeuwuil op Schiermonnikoog, in de zomer, tijdens een hittegolf. Mijn ouders hadden een huisje op Schier, we waren er elke zomer, maar niet toen die sneeuwuil er was. De uil was vermoedelijk uit Lapland aan komen dwalen en na zijn vlucht over de Noordzee uitgeput op het eerste het beste land neergeploft. Dat was het naaktstrand. De sneeuwuil zat in de hitte met zijn dikke verenpak tussen de naaktrecreanten. …
Vorige zomer kwamen er in mijn tuin regelmatig twee huismussen op de zaden en kruimels af. Mannetje en vrouwtje. Het mannetje heeft een bruine kop met grijze kruin en een donkerbruine bef. Verder heeft hij grijsbruine tinten, evenals het vrouwtje. Huismussen moeten het qua aantrekkelijkheid niet hebben van hun kleuren, maar van hun gezellige getjilp, hun plotselinge wegsnorren, hun krioelende gehip. Daarvoor zijn veel mussen nodig. Mussen horen met hun allen straten en pleinen af te schuimen, heggen en klimplanten te bevolken, continu kwetterend en tjilpend. …
De hazelaars bloeien al een paar weken. Prachtig, die geelgroene katjes. Zoveel bloeit er niet en ook de hazelaars zijn nog kaal. Op die katjes na dan! Elzen bloeien ook, en zowel hazelaars als elzen hebben mannelijke bloempjes in de katjes en vrouwelijke bloempjes die uit knopjes op de takken bloeien. De katjes vallen op, ze kunnen langer worden dan tien centimeter. De vrouwelijke bloempjes zijn weliswaar zuurstokroze, maar zo klein, dat ze niet gauw in het oog springen (of vallen of lopen).
Let er dus eens extra op. Als u een hazelaar ziet met een lichtgroene sluier van katjes, inspecteer dan van vlakbij de takken. Ik deed dat laatst met iemand, die stomverbaasd en blij verrast was met de knalroze kleinoodjes erbovenop. Nooit gezien, nooit gedacht. …
In de rode avondzon worden ze nog mooier dan ze al waren: witte kluifzwammen. Kluifzwammen of kluifjeszwammen zijn één van de paddestoelenfamilies die ik het leukst vind. Er zijn in Nederland zeventien soorten kluifzwammen, waaronder heel zeldzame, maar de witte kluifzwam is vrij algemeen. Dat ze midden in de winter nog in vol ornaat te bewonderen zijn, is ongebruikelijk.
Ze hebben een wonderlijk uiterlijk, hun hoed zit of staat als een verzameling kwabben op de diep gegroefde steel. Ze lijken op van die pezige hondenkluiven, vandaar hun naam. …
Er viel sneeuw in Groningen. De zaadbank in mijn tuintje trok nog meer vogels aan dan anders. Er hangt een vogelhuisje met zaad in de appelboom en er hangt een vetbol. Een bakje korrels kleeft met een zuignap tegen het raam. Alleen mezen wagen zich daarin. De graankorrels zijn ontkiemd, er groeit een bosje tarwe. Ook onder het vogelhuisje komen wintergranen op, een fris groen tapijtje, verstopt onder tien centimeter wit. …