De herfst begint als midden op de dag de zon recht boven de evenaar staat. Vanuit aards perspectief lijkt het of de zon op en neer schuift tussen de keerkringen, het gebied dat we de tropen noemen. Rond 21 juni staat de zon boven de kreeftskeerkring, rond 21 december boven de steenbokskeerkring. Boven de kreeftskeerkring is hij het dichtst bij ons: de langste dag in het noorden. Hoe noordelijker je dan reist, des te langer de dag duurt. Op de Noordpool schijnt dan de middernachtszon, terwijl de Zuidpool halverwege de lange winternacht is. Daarna worden in het noorden de dagen korter, tot 21 december boven de steenbokskeerkring in het verre zuiden weer een zonnewende passeert: de kortste dag. Bij ons dan. In Kaapstad, Melbourne en São Pãolo beleven ze dan juist de langste dag. …
De grote stinkzwam is een bekende paddestoel. Als het een paar dagen vochtig is, schieten paddestoelen uit de grond. Stinkzwammen rijzen op uit hun ei, tot een vorm die onze voorouders ertoe bracht ze als lustopwekkend middel te serveren.
Kleine stinkzwammen zijn zeldzamer dan grote, wat kleiner maar vooral dunner en met gele stengels. Roze stinkzwammen zijn nog lastiger te vinden. Ze komen nog maar een jaar of zestig voor in Nederland, nadat ze een halve eeuw eerder uit Amerika in Zuid-Europa zijn ingevoerd. …
Ieder jaar worden er plezierjagers doodgeschoten door andere plezierjagers. Jagen is een gevaarlijke hobby. Zweden schijnen veel geld te betalen voor een vergunning om een eland te mogen schieten. Zo’n bonk vlees betaalt zich terug, en als het seizoen op zijn eind loopt, worden de jagers zonder treffer nerveus. In Frankrijk heb ik na lunchtijd wel eens jagers in actie gezien. Het kunnen natuurlijk uitzonderingen geweest zijn, maar nooit was zo’n jager nuchter. Een keer zag ik waar ze geluncht hadden: bij de terreinwagens. Er lag een stapel lege flessen. In Rusland zuipen ze zich bij het ontbijt al klem. Regelmatig halen absurde jachtongelukken uit Rusland de buitenlandse pers. Vorige week deed een 68-jarige jager aangifte van een ongelukje. Hij had zijn 26-jarige schoonzoon door het hoofd geschoten. Dood. …
Klein springzaad is een plant die kinderen tot de verbeelding spreekt. Mijn kinderen vinden leuk wat ik als kind ook leuk vond: de rijpe springzaden aanraken. Dan knappen ze open en schieten de zaadjes decimeters weg, als duveltjes uit doosjes. Je weet dat het gaat gebeuren en toch schrik je altijd even. Soms moet je licht knijpen om de zaadjes te laten springen. Toch kan zo’n groen, langwerpig peultje er dik en rijp genoeg uitzien, maar nog onrijpe, witte zaadjes bevatten. Die knijp je zonder resultaat fijn. En dat heeft iets spijtigs, er wordt zowel een plantje als een projectiel in de kiem gesmoord. …
Vlak voor mijn vakantie op Schiermonnikoog lees ik het laatste nummer van het vogeltijdschrift Limosa. Er staat een stuk in over tellingen van jonge grutto’s. Er is nog niet zoveel bekend over waar die zich verpozen als ze in de zomer op eigen benen staan. Hun eerste zomer dus, nadat ze net zijn groot gebracht. Een vrij grote verzamelplaats blijkt te liggen in de polder van Schier. En warempel, uit de bus van de boot zie ik er tientallen door de weilanden stappen. Ze zijn grijs, net als de jonge storm-, zilver- en mantelmeeuwen, grijs als de lucht die deze zomer maar amper zijn wolken weet af te schudden.
Verrassend, uitgerekend Schier als verzamelplaats van jonge grutto’s. De weiden zijn rimpelloos begroeid met Engels raaigras, sommige percelen voor een seizoen ingezaaid met maïs. Deze landbouwgrond moet zo langzamerhand doordrenkt zijn van drijfmest. Als kind woonde ik bij het bos, waar in april geen grutto’s te horen waren. Maar op Schier werd ik in vele paasvakanties verwend met het ‘o-grut-o-grut’ van de vogels. De laatste jaren echter is dat koor gedempt tot een enkele solo.
En dan toch tientallen jonge grutto’s. Ze zijn er waarschijnlijk niet allemaal uitgebroed, ze komen waarschijnlijk ook van het vasteland. Misschien dat ze juist op de zwaar bemeste graslanden wormen vinden – ook kauwtjes, spreeuwen, kieviten en bovengenoemde meeuwen zie ik er wel; die lusten best een worm. …
Er vliegen nog veel koolwitjes. Koolwitjes een klontje van enkele eitjes af onder bijvoorbeeld een koolblad, dat de rupsen vervolgens opeten. Na een tijdje settelen de rupsen zich in het hart van de kool. Tuinders zien de witte vlinders daarom als verschrikking. Biologische bestrijding kan met sluipwespen. Sluipwespen leggen hun ei in de rups. De sluipwesplarve eet de rups op en verpopt zich vervolgens tot sluipwesp. Op koolwitjes parasiteert bovendien een sluipwespje van een halve millimeter. Dit wezentje, Trichogramma brassicae, kan ruiken wanneer een koolwitmannetje met een vrouwtje gepaard heeft. Het piepkleine sluipwespje gaat op de vrouwtjesvlinder zitten en lift mee. Als de vlinder eitjes afzet, kruipt het sluipwespje op de vlindereitjes en legt ze haar eigen eitje in een vlinderei. Het sluipwesplarfje heeft dan een heel vlinderei tot zijn beschikking. Na anderhalve week komt er geen rups uit het ei, maar een sluipwespje. …
We lopen door een bos en een hazelworm steekt kronkelend het pad over. Hij meet zo’n 45 centimeter. We denken meteen aan een kleine slang. Maar een hazelworm is geen slang, het is een op een slang lijkende hagedis zonder poten.
Hazelwormen steken net als slangen steeds hun tongetje uit. Dat tongetje is wat minder gespleten dan slangentongen, maar gespleten is het wel. Hazelwormen hebben knipperende oogleden, slangen lijken ooglidloos. Het ooglid van slangen is een soort raampje voor het oog. Slangen leggen eieren, hazelwormen niet. Ze baren levende jongen die meteen op eigen benen staan, als ze die hadden. …
Zondag hoorde ik een tjiftjaf in de tuin. Hij herhaalde minutenlang zijn naam. In april en mei was het getjiftjaf niet van de lucht. De ene na de andere tjiftjaf zweeg en nu begint een enkeling weer. Die is op trek naar het zuiden. Tjiftjaffen zijn kleine, bruingroene vogeltjes. Ze scharrelen door boomkruinen en struikgewas, liefst dicht struikgewas als braam, waarin even boven de grond nestelen. Net als fitissen zijn ze zeer algemeen. …
Vier jaar geleden was ik op Schiermonnikoog tijdens een muggenplaag. Een natte periode werd gevolgd door een warme en de plassen wemelden weldra van de muggenlarven, waarna de muggenzwermen Laplandse proporties kregen. Overdag kon je ook in de zon niet buiten zitten, of je moest al een bolknak roken. …
Sommige lenteplanten bloeien in de nazomer nog even op. Minder dan in de lente, maar toch. De klimroos tegen mijn achtergevel geeft in augustus een bonus van enkele dieprode bloemen. Vooral met de zon erachter zijn die mooi. Alsof dat nog niet genoeg is, strijkt er een zweefvlieg op neer, een pyjamazweefvlieg. Die heet zo naar zijn streepjespakje. Niet zozeer de zwart-gele streepjes, maar de grijze lengtestrepen bovenop zijn glanzende, koperkleurige borststuk.
Als deze zweefvlieg een pyjama draagt, is het een dunne zomerpyjama, bij het doorschijnende af. De zon schijnt dwars door de zweevlieg heen. Nu schijnt hij dus door zwel de zweefvlieg als de bloem. Een zeldzaam natuurverschijnsel is het niet, wel zeldzaam mooi.
Pyjamazweefvliegen hangen met snorrende vleugels stil in de lucht, om ineens een meter weg te schieten. Ze zijn algemeen in tuinen en waar niet al, zelfs op het strand vliegen ze. Ze zijn dan ook niet kieskeurig over voedsel – ze lusten de nectar en het stuifmeel van bijna alle bloemen, al zijn schermbloemigen favoriet. Hun larven zuigen bladluizen uit. Dat maakt de zweefvliegen populair bij tuinders als biologische luizenbestrijders.
Pyjamazweefvliegeneutjes zijn wit en langwerpig. Een vrouwtje zet ze tussen de bladluizen af, meestal aan de onderkant van een blad. Na een paar dagen komen ze uit temidden van een feestmaal.
Als bladluislarven besef hebben van hun bestaan, zouden ze toch spontaan geloven in een Helpende Hand? Die hand is er ook: hun moeder, maar waarschijnlijk weten ze dat niet. De larven zijn een beetje doorzichtig, ze glimmen en lijken op platte rupsjes. Als de larven zich verpoppen, lijken ze op bruine kloddertjes.