Er zit een kever in de gang. Een kleine, roodbruine kever, een centimeter van kop tot kont. Als ik ’s avonds het licht aandoe, ligt hij roerloos in een hoekje. Maar hij komt direct tot leven. Ik pak het op om hem naar buiten te jodelen. Mooi niet, dat beest wringt zich met zo’n kracht in bochten, dat ik hem tussen duim en wijsvinger niet kan houden. Het is laat, ik wil slapen, ik laat hem maar tot morgen. Als hij er dan nog zit. …
Als ze genoeg voedsel krijgen, kunnen ze twee meter hoog worden. Op schrale bodem blijven ze klein. Maar bloeien doen ze even vurig roze. Als kaarsen wijzen hun bloemen in aren omhoog. Pardon: als kattenstaarten! Hoewel de meeste katten hun staart niet vaak omhoog steken.
Als je kattenstaart intypt op een zoekmachine op internet, beland je op allerlei tuiniersites waar vrouwen klagen dat kattenstaart een ergerlijk onkruid is, dat niet uit de tuin te krijgen is. Terwijl ik die planten juist uit de natuur haal om in de tuin te zetten. Eén exemplaar is genoeg, het worden er vanzelf meer. Niet dat ze woekeren, ze zijn gemakkelijk binnen de perken te houden. Kattenstaarten onkruid noemen is net zoiets als koolmezen ongedierte noemen. …
We wandelen in het Oost-Groninger Oldambt langs een plas waarin kokmeeuwen, tureluurs, kieviten en kluten rondwaden. We bereiken een bosrand. We willen het bos niet in, we willen om de plas heen, maar dan moeten we hetzij door de ruige oevervegetatie struinen van riet, wilgenroosjes en speerdistels, hetzij door de weilanden. De oevervegetatie lijkt nauwelijks doordringbaar en is verboden terrein. Natuurgebied. …
De duinen kleuren hier en daar geel van het walstro. Geel walstro bloeit met kleine gele bloemetjes die een omgeslagen randje hebben. Samen vormen die bloemetjes vrolijke pluimen. Geel walstro kan best hoog worden, een meter wel, maar blijft meestal laag. Hoog worden kost namelijk energie die op de schrale duingrond niet altijd voorhanden is.
Walstro kan ook wit zijn, dan is het waarschijnlijk glad walstro. Als walstro wat ielere bloemetjes zou hebben en grotere blaadjes, dan zou het eruitzien als kleefkruid. Geef me dan maar walstro. Het is mooi, niet zo opdringerig en het blijft niet aan je sokken hangen. …
In de sloot langs de wijk drijven eilandjes van krabbescheer. Vele bloeien nog. De watergentianen die eerder het water geel kleurden, bloeien eveneens na. De zwanenbloem dook dit jaar voor het eerst op en bloeit prachtig paars. Ook waterdrieblad is er weer, waar ik het twee jaar geleden voor het eerst zag. Nu bloeit het! Vorig jaar was het water vuil en kwijnden de planten weg. Nu werkt het rietfilter beter en wat doen de waterplanten het goed!
Lantaarntjes en paardenbijters snorren heen en weer. Soms zie je zo’n libel eitjes afzetten op krabbescheer. Heel soms is dat een grote groene glazenmaker. ’s Avonds fladderen er witte vlindertjes rond, en als je rietstengels inspecteert tref je bladluizen, kevers, rietgallen, vlindereitjes en rupsen aan. Ik heb wel eens in waadpak flab weggehaald. Dat liet ik op de oever uitlekken. Het wriemelde van het leven: torretjes, bootsmannetjes, slakken, libellenlarven, waterspinnen… …
Vlak buiten Londen zag ik glooiende veldjes en bermen die geel waren van het Jakobskruiskruid. Een mooi gezicht. Het is niet de handigste periode om een Engelse krant als bron op te voeren, vooral niet over zo’n heikel onderwerp als Jakobskruiskruid. Maar Engeland is een land van paardenliefhebbers. De discussie over de fraaie gifplant woedt daar in de krant, in dit geval The Telegraph van 28 juni. …
De Prinsentuin in Groningen is er sinds 1626. Er is een kruidentuin, een rozentuin, er zijn heggetjes in de vorm van een W en een A. Niet van onze kroonprins, maar van stadhouder Willem Frederik van Nassau (1613-1664) en zijn Albertine Agnes. Sommige paden zijn er lommerrijk overhuifd door geleid groen. De prinsen wilden in hun tuin kunnen wandelen, zonder bruin te worden. Een gebruinde huid was volks en boers, niets voor stadhouders en prinsen.
Dat droge voorjaar is nog niet ingehaald door de natte zomer, of de bos- en tuinpaadjes zijn vergeven van de slakken. Huisjesslakken, maar vooral naaktslakken. Gekke naam. Alsof huis en haar hetzelfde zijn als kleding. Naaktslakken hebben geen huisje, maar wel een schelp, een rudimentaire schelp. Dat is die stierennek, dat schild achter hun kop. Dat heet het mantelschild. Er is een gaatje in waardoor ze ademen. Maar een huisje hebben ze niet. …
Ik heb over een daad gefantaseerd
Met vlaggen, uniformen, demonstraties
Met kale koppen, leuzen, neonazi’s
Ik heb ze uit de weg gemitrailleerd
Ik zit niet op de schietstoel in zo’n school
Ik heb nochtans ook wel eens wat geleerd
Ik doe het niet, ik denk: het is verkeerd
Waar koop ik in de vrede zo’n pistool?
Boterbloemen kunnen de tuin overwoekeren met hun netwerk van bovengrondse wortelstokken. Ze bloeien laag als het gras kort is of de grond kaal, ze bloeien hoog als ze boven concurrerend groen willen uitsteken. Mooi zijn ze, die eigele boterbloemen, hoe gewoon ook. Toch is het altijd leuk om een bijzondere boterbloemsoort te vinden. Aan het water vond ik laatst de blaartrekkende boterbloem. Die zet het je met blaren betaald, als je hem zou plukken.