Natuurdagboek

Vogels door het raam

Vogels door het raam

Natte kraai in de tuin Foto Koos Dijksterhuis
Natte kraai in de tuin. Foto Koos Dijksterhuis

Het is koud en nat. Dankzij die nattigheid verandert mijn winterse stadstuintje iedere dag meer in een kleurenwaaier: 49 tinten lente van rijp tot groen, en rood, geel, lila… Het leven barst uit de bodem. Tussen de buien door fladderen vogels af en aan met een snavel vol takjes of hapjes.

Een zwarte kraai landt bij het drinkbakje, neemt een slok en hapt een bek vol sprieten op. Hij of zij lijkt zich er niet bewust van dat ie de kauw de appelboom injoeg, die iets eerder bij het drinkbakje landde. De kraai vliegt weg, de kauw keert terug uit de boom, maar slaat meteen weer op de vlucht voor een dorstige ekster. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Hemelvaart

Hemelvaart

We hoeven ons vandaag niet te vervelen
We trappen met elkaar gezellig dauw
We trappen lol, we trappen de natuur in
We nemen het ervan en niet zo nauw

We zijn de enigen op aard
We boeken onze hemelvaart

DELEN
Woekerend muskuskruid

Woekerend muskuskruid

Muskuskruid Foto Koos Dijksterhuis
Muskuskruid. Foto Koos Dijksterhuis

Holle wegen, oeverwallen, beekoevers, loofbossen – daar kan muskuskruid groeien. Veel heeft het plantje niet nodig, zelfs maar weinig zon. Toch is het alleen algemeen in Zuid-Limburg. Verspreid over de zandgronden komt muskuskruid door het hele land voor, maar nergens veel.

Groot was mijn verrassing toen we vlakbij de stad Groningen op muskuskruid stuitten. Mijn geliefde en ik waren op zoek naar inheemse, wilde planten voor in de tuin. Bij Tolbert moest een goede kwekerij zijn: de Zandhoogte. We belandden op een smalle landweg. Bij een weelderig begroeid huis liep een man rond. We vroegen of hij de kwekerij kende. Die was van hem maar bleek hij te hebben opgedoekt. “Wel de ligt heemtuin er nog”, merkte hij op. “We willen hem in de toekomst openen voor publiek, maar nu nog niet.” …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Schelpen op rijm

Schelpen op rijm

Twee clausilia's Foto Koos Dijksterhuis
Twee clausilia’s. Foto Koos Dijksterhuis

“Of schelpen verzamelen vaker dan andere hobby’s samengaat met een voorliefde voor taalgrappen en vormvaste poëzie op rijm weet ik niet, maar schelpennamen zijn soms een gedichtje op zich, dus ik sluit het niet uit. Neem nou noordkromp en tepelhoren, wulk en wenteltrap…”

Dat schreef ik in Wurgworm watert wat, een bundeltje limericks en andere versjes over week- en zeedieren. Als schelpen verzamelend plezierdichter mocht ik daarin een voorwoord schrijven. Wurgworm is uitgegeven door Stichting ANEMOON die in kaart brengt wat er in onze kustwateren leeft. Daartoe worden iedere twee weken stranden en dijken afgespeurd op schelpen, inktvisschilden, krabben, zeepokken, zeewieren, mosdiertjes, roggeneieren en wat er maar aangespoelt. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Paarbladig goudveil

Paarbladig goudveil

Paarbladig goudveil. Foto Koos Dijksterhuis
Paarbladig goudveil. Foto Koos Dijksterhuis

Een plantje voor de klein-maar-fijnproever is het: goudveil, in de lente gelig bloeiend in de halfschaduw van nog niet zo dicht bebladerde bronbossen. Daar kan het plantje om zich heen groeien tot bodembedekker.

In Nederland komen twee soorten voor: paarbladig goudveil en verspreidbladig goudveil. Ze zijn te onderscheiden aan hun blaadjes. Die van paarbladig goudveil staan in paren, die van verspreidbladig goudveil verspreid. Soms kloppen plantennamen. Maar hoewel ze een goudgele sluier over de bosgrond draperen, heeft weet ik of veil verwijst naar het Engelse woord voor sluier. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Het stoffige overschot van een bosmuis

Het stoffige overschot van een bosmuis

Dode bosmuis, Foto Koos Dijksterhuis
Dode bosmuis, Foto Koos Dijksterhuis

Laatst keek ik uit het raam en zag ik een muis over het terras hollen. Muis glipte de hoek om, onder een schutting door en weg was ie.

Het was een bosmuis, met relatief lange staart en grote oren. Hij rende met voor zo’n klein beestje een bewonderenswaardige snelheid, maar of ie snel genoeg was om aan een kat te ontkomen? Ooit had ik woelmuizen, spitsmuizen, een mol, een woelrat en een egel in de tuin. Een woelrat is een soort minicavia. Spitsmuizen kunnen zich als gezin per trein verplaatsen: de jonkies in een rij achter moeder aan, met hun snuit op de staart van broer of zus voor hen. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
De paardenbloem terug in de wei!

De paardenbloem terug in de wei!

Paardebloemen Foto Koos Dijksterhuis
Paardebloemen. Foto Koos Dijksterhuis

Afgelopen zondag was het de dag van de paardenbloem. Het was de tweede dag van de paardenbloem, en als het aan initiatiefnemer Karst Meijer ligt, is er een eeuwenoude traditie mee begonnen.

April is vanouds de maand van de paardenbloem, in april kleurden vroeger de weilanden, grasvelden, bermen en slootkanten geel van de paardenbloemen. Dat is nu wel anders. Op de dag van de paardenbloem lette ik in het buitengebied juist op deze bloemen en ik zag ze alarmerend weinig. Was een groen weiland met gele spikkels van paardenbloemen twintig jaar geleden nog het summum van intensieve veehouderij, nu is een bespikkeld hoekje van een weiland al een botanische opsteker. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Restauratie landhuis en historische buitenplaats

Restauratie landhuis en historische buitenplaats

‘Ik hoop dat huis Landfort weer lange tijd voort kan’

Bij het dorp Megchelen in de Gelderse Achterhoek ligt aan de Duitse grens de historische buitenplaats Huis Landfort. In het bospark van vijftig hectare staat een deftig landhuis met twee licht gebogen vleugels. Achter het pleisterwerk van de voorgevel klinken hamerslagen. Het door de eeuwen vaak verbouwde landhuis wordt sinds 2017 in oude luister hersteld.

‘Alle 64 ramen in de gevel krijgen hun binnenluiken terug’, vertelt kunsthistoricus René Dessing, directeur van stichting Erfgoed Landfort (sEL) en voorzitter van de stichting Kastelen, historische Buitenplaatsen & Landgoederen. ‘Die luiken zijn door de vorige eigenaars weggehaald. We renoveren het negentiende-eeuwse ontwerp van de Duitse architect Johann Theodoor Übbing.’ Rond 1825 (ver)bouwde hij het pand voor de nieuwe eigenaar Johan Albert Luyken. Luyken was oogarts en botanicus en voor die hobby liet hij in huis een oranjerie aanbrengen. Daar liet hij de potten met subtropische planten overwinteren. ‘Zo’n inpandige oranjerie was heel uitzonderlijk voor ons land’, verzekert Dessing. ‘Wij maken van die ruimte nu een wintertuin. Struikel niet over dit kozijn.’ Het is een vertrek met veel ramen. ‘Er komt een originele Zeister tegelkachel in’, zegt Dessing, ‘uit 1823. De spreekkamer, traditioneel aanwezig in dit soort huizen om bezoek te ontvangen, wordt weer ingericht en behangen met een bloemrijk Zuber-behang.’ Verder komen er een ontmoetingsruimte, een keuken, verschillende stijlkamers en een klein auditorium. Op de bovenverdieping worden een porseleinkamer en een bibliotheek ingericht. ‘Luyken bezat een collectie botanische boeken en instrumenten’, vertelt Dessing, ‘wij maken er met een prachtige bibliotheek een documentatiecentrum van over kastelen, historische buitenplaatsen en landgoederen.’

Dessing zal in het landhuis wonen. ‘Een heerlijke plek, die al veel langer bestaat dan ikzelf en ongetwijfeld veel langer zal voortbestaan dan ik’, zegt hij. ‘Ik ben maar een passant. Je woont hier in de natuur met zijn seizoenen; regen, wind en sneeuw kunnen hier heftig tekeergaan. Het is trouwens een hele taak om de boel te onderhouden, vergis je niet.’ Al vier jaar laat de stichting het huis en de tuin renoveren. Dessing stuurt vier architecten, vele bouwvakkers, restaurateurs en vrijwilligers aan, hij leidt de stichting en werft fondsen. ‘Overheidssubsidies, particulier geld, donaties; het kost wel een centje, ja.’ De ambities zijn dan ook groot; de stichting doet geen concessies en wil elk detail herstellen. De restauratie duurt nog een klein jaar, maar het oude, in de oorlog verwoeste koetshuis is al bijna klaar. ‘We verhuizen ons kantoor er zeer binnenkort naartoe’, zegt Dessing. Het geel gepleisterde gebouw grenst aan de achttiende-eeuwse visvijver. Er is een oranjerie en nog een kas langs de leifruitmuur. Dat is een negentig meter lange bakstenen muur waarlangs fruitbomen worden geleid. De muur zorgt voor beschutting en houdt zonnewarmte vast.

Behalve de fruitmuur wordt de bomgaard in ere hersteld, terwijl de moestuin een bloementuin wordt. De hele, parkachtige tuin wordt heringericht naar het ontwerp van landschapsarchitect Johan David Zocher jr. Wel komen er veel meer bloeiende bomen en heesters. Dessing wijst. ‘Kijk, dat is een Magnolia Kobus. Die is afgelopen herfst geplant. We hebben wel tien soorten magnolia’s, een Judasboom, een vaantjesboom, allerlei cipressen en meerdere Japanse sierkersen. En kijk hoe mooi dit nu al is!’ Hij wijst naar een veld vol bloeiende blauwe druifjes. Ook aronskelken, dasloken en andere stinsenplanten staan er. ‘Mijn voorkeur is in de loop der tijd verschoven van artistieke naar natuurlijke schoonheid’, zegt hij. ‘Dit is de oude gracht van Zocher, aangelegd als een meanderend riviertje.’ Bij die slingergracht komen salamanders voor, libellen, ijsvogels. In de hoogste bomen huizen wielewalen. ‘Kijk toch hoe prachtig die plataan is, die is ook al bijna tweehonderd jaar oud!’

Het huis Landfort is trouwens veel ouder dan tweehonderd jaar. ‘De eerste vermelding dateert uit 1434, en er is door de eeuwen heen van alles verdwenen en aangebouwd, tot Übbing en Zocher er een geheel van maakten dat de laatste twee eeuwen heeft doorstaan. ‘In april 1945 is hier hevig gevochten’, vertelt Dessing, ‘het is een wonder dat het huis overeind bleef. We hebben tientallen gaten van kogels en granaten gedicht.’

Er zijn in Nederland zo’n 550 historische buitenplaatsen bewaard gebleven. Dat lijken er heel wat, maar het waren er wel tien keer zoveel. De meeste raakten in verval, de landhuizen werden gesloopt, de parken in productie genomen. ‘Op historische buitenplaatsen werd de natuur gepland en vervolgens geplant’, zegt Dessing. ‘Bijna geen boom staat er onbedoeld. Maar intussen is die natuur er wel mooi eeuwenlang bewaard gebleven. Het leeuwendeel van dit terrein wordt beheerd door het Geldersch Landschap & Kasteelen. Onze stichting bezit het centrale deel van zo’n zes hectare, met de gebouwen.’

Het verschil tussen een historische buitenplaats en een landgoed is vervaagd. Ooit was een landgoed meer op agrarische activiteiten gericht. De landheer leefde van de pacht. Een buitenplaats hoefde niets op te leveren. Die was meer bedoeld om het in de stad met handel vergaarde kapitaal feestelijk te verbrassen. ‘Op historische plekken als dit is geschiedenis geschreven’, zegt Dessing. ‘En uit iedere periode stammen andere ontwerpen, zowel van gebouwen als van tuinen. Ik voel hier de geschiedenis, en ik wil zoals zovelen hebben gedaan het huis en de tuin helpen behouden. Ik hoop dat Huis Lantfort na deze restauratie weer lange tijd voort kan’.

De ligging bij Duitsland biedt volgens hem een voordeel. ‘We willen mensen enthousiasmeren voor buitenplaatsen en landhuizen als dit’, vertelt hij, ‘het park zal worden opengesteld en er komt een terras. Groepen kunnen het in stijl ingerichte huis straks op afspraak bezoeken. We bieden ook vergaderfaciliteiten in een inspirerende omgeving. Daardoor hopen we inkomsten te krijgen. Bij onze activiteiten houden wij altijd rekening met het belang van de buitenplaats zelf. We maken er zeker geen evenementencentrum van. Maar bezoekers zijn welkom en ik verwacht veel Duitse belangstelling. Voor Nederlandse begrippen liggen we in een uithoek, maar binnen honderd kilometer wonen achttienmiljoen Duitsers.’ Dessing fronst. ‘Om de bezoekersstroom op te vangen, hebben we veel vrijwilligers nodig. Maar die melden zich vast wel, want wie zou niet willen werken in zo’n prachtige en stimulerende omgeving?’

Er zijn al veel vrijwilligers. Aan het eind van de middag fietsen ze het terrein af. Twee witte kwikstaarten kijken hen na vanaf de verweerde fundamenten van een nog te herbouwen prieel.

www.erfgoedlandfort.nl/ & www.skbl.nl

DELEN
Fitjaf

Fitjaf

Fitis. Foto Koos Dijksterhuis
Fitis. Foto Koos Dijksterhuis

De fitissen zijn terug. Ze waren laat dit jaar. Meestal arriveren ze eind maart uit Afrika, maar nu hoorde ik de eerste pas op 4 april en de hoofdmacht pas twee weken later. Waarschijnlijk remde de combinatie van kou en noordenwind hun animo af. Terecht, want in die kou zijn er in Nederland weinig insecten te eten.

Eind vorige week hoorde ik ze ineens overal, dat wil zeggen: in vochtige en in jonge loofbossen. Daar klonk hun melodieuze riedeltje luid en hoog beginnend, zacht en laag eindigend.  Tjiftjaffen, hun look-alikes die eindeloos ‘tjif tjaf’ roepen, waren er al drie, vier weken eerder. Die hoeven ook slechts uit het Middellandse-Zeegebied te komen. Fitissen steken de Sahara over. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN