Groenland 12 – Gans kleef aan
Twee ganzen cirkelen vleugel aan vleugel boven het veldstation. Een witte gans met zwarte vleugelpunten en een bruine met een witte kop. De witte is een sneeuwgans, maar de bruine? Volgens Jannik houdt die gans het midden tussen brandgans en sneeuwgans. Een kruising? Hybride heet dat tegenwoordig. De witte landt temidden van de barakken, op het geïmproviseerde strandvolleybalveldje. Sneeuwganzen wonen in Noord-Amerika en dwalen regelmatig af naar de Groenlandse westkust. Maar hier, zo noordelijk aan de oostkust, zijn ze zeldzaam. Uit de barakken snellen mensen toe.
De gans waggelt gakkend op ons af. De andere gans gakt ook, maar blijft rondcirkelen en vliegt weg. Joop haalt brood uit de keuken. De sneeuwgans bestudeert de kruimels, maar laat ze liggen. Het weerhoudt Joop er niet van te blijven strooien. Straks zullen de lemmingen het wel opeten. Ondanks zijn desinteresse voor voer, blijft de gans vlakbij de mensen. Joop stort zich ineens bovenop hem en tilt hem op. Hij overhandigt hem als culinaire geste aan kok Irene. Die laat hem weer lopen. De gans vindt alles best.
Hans en ik trekken de berg op en halen aan het eind van de middag de insectenvallen leeg. De gans vliegt ons tegemoet. Hij blijkt Jannik te vergezellen. Jannik vertelt dat de gans eerst urenlang met Joop en Jeroen meeliep, tot hoog op de Aucella. Later horen we van hen dat de gans een opgesteld klapnetje liet dichtklappen door er tegenaan te waggelen. Bijna had hij het nest met vier eitjes vertrapt. Joop nam de gans in een houdgreep en bitste hem toe dat hij echt te ver ging en zich diende te gedragen, op straffe van het slagersmes. De gans werd er warm noch koud van. Hij bleef bij hen en sukkelde in slaap, toen de mannen lunchpauze hielden. Ze braken stilletjes op, om de gans niet te wekken en zonder diens gezelschap weg te sluipen. Mooi niet! Net op dat moment riep logistiek manager Philip iets door de walkietalkie. De gans schrok wakker en zei: ‘pehpeh’.
Daarna is de vogel kilometers met Jannik meegesjouwd, af en toe gakkend. Terwijl Jannik vertelt, steekt de gans zijn hals in de gele insectenbekers, die hij leegdrinkt. Hij blijkt verzot te zijn op water met zout, zeep en spinnenkoppen. Hans rent paniekerig heen en weer om de dode insecten te redden. Jannik en wij vervolgen onze wegen en de gans kijkt naar de een, naar de ander en weer naar de een, loopt achter ons aan, kijkt nog eens over zijn schouder en vliegt toch gakkend naar Jannik. Misschien gunt hij die eenzame man zijn trouwe gezelschap meer. Misschien ook valt hij op Janniks rode jas. Of is hij gevleid omdat Jannik ’s morgens een paar van zijn keutels in een buisje had gestopt. Die Denen stoppen alles in buisjes want je weet maar nooit welke analyse je er op kunt loslaten.
Wij hebben net ons avondeten op, als naderend gegak de terugkeer van de sneeuwgans aankondigt. Daar zet hij de landing in en waggelt weer rond alsof hij hier altijd heeft gewoond. Vijf minuten later arriveert Jannik.
’s Avonds doet Philip wat schietoefeningen met zijn plaatsvervangend logistiek manager. De sneeuwgans waggelt achter hen aan. De volgende dag is hij weg. Niemand ziet hem nog.


Na onze schoonmaakmorgen en de lunch tijgt Jeroen naar Dries en Dreutel om daar de datalogger af te lezen en er de accu van te vervangen. Ik blijf schrijvend achter en wacht op de twinotter. Vandaag arriveren Joop en Hans, een nieuwe Deense en drie Zweden. Niels vertrekt. Het is het eerste vliegtuigje sinds wij twee weken geleden kwamen en het laatste tot ik over twee weken afscheid neem. Toch nog onverwacht hoor ik het geronk aanzwellen. Tegen de bergen, de fjord, de weidsheid van de toendra valt het vliegmachientje weg als een insect. Maar de bromvlieg groeit met de minuut en landt in een gele wolk poolzand en kerosinedamp. Joop en Hans hebben post bij zich. Een brief van mijn ouders en een brief van Inge. Aan het eind van de middag trek ik me met een beker koffie terug aan een zonnige picknicktafel en lees. Inge schrijft dat ze de nacht na mijn vertrek wakker schrok, toen een schorre stem ‘Koos’ riep. Toen ze het nog eens hoorde, vond ze het gesmoorde geluid toch wel op een meerkoet lijken. De meerkoeten in de sloot achter ons huis missen me! Mijn moeder vraagt of we nog meer vogels vangen en ringen dan drieteenmeeuwen. ‘Er staat in Zien is Kennen ook een drieteenzandlooper!’ schrijft ze. Wel vaker denken mensen dat we met drieteenmeeuwen bezig zijn. Die zijn kennelijk bekender dan drieteenstrandlopers. Niemand verwart de drieteenstrandloper met de drieteenspecht. Maar die laat Zien is Kennen dan ook zien noch kennen.

We zoeken nestjes op dezelfde manier als Friese kievitseizoekers. Alleen verbergen drieteenstrandlopers hun eieren veel beter dan die sullige kieviten. Ik keek een keer uit mijn raam in Nederland en zag in de verte een kievit geheimzinnig rondsluipen. Ik dacht: die heeft een nest. De kijker gepakt en ja hoor, al gauw ging de vogel draaikonten en zitten. Om een drieteentje op broeden te betrappen is meer nodig.

