Metgezel en ik lopen door de stad, een ijsje in de hand. Het is avond en nog maar net donker, voorzover het in een stad donker wordt. De laatste alarmroep van een merel sterft weg, een duif klapwiekt nog even voor hij naar bed gaat in een kruin. Twee planeten lichten op aan de bijna zwarte hemel, de eerste sterren flonkeren. De ijsjes gaan op. …
Niet ver van mijn huis tref ik langs een brede sloot in ouderwets grasland twee kleine eendjes aan. Het zijn wintertalingen. De woerd is één van de kleurrijkste eenden die we hebben. Zilvergrijs, met zwartwitte strepen op de flanken, groene vlakken op de vleugels, een roodbruin glanzende kop waarop iriserend groene wangen, en een gele driehoek aan weerszijden van de kont. Het vrouwtje heeft ook groene vleugelvlakken, spiegels genaamd, maar is verder bruin als een gewone wilde eend. …
Op eerste paasdag schijnt de zon vurig. De oostenwind is nochtans fris. De westenwind van de voorgaande dagen was ook niet bepaald warm. Na een zachte winter begint de lente koel. Maar die zon is heerlijk.
Een vriendin vergezelt me op één van mijn vaste rondjes door Kardinge, het Natuurmonument ten oosten van Groningen. Ik verwacht een hausse aan lentesignalen, maar die houden zich nog even koest. Ik verwacht grutto’s, maar geen grutto laat zijn hoopvolle o gruttegut horen. Wel zijn de kieviten druk aan het baltsen. Mauwend zwabberen ze door de lucht, met hun nu eens zwarte, dan weer witte lijf. Eén tureluur laat zich horen en hier en daar stapt een paartje scholeksters door het gras. …
In vogeltijdschrift Limosa lees ik over een onderzoek naar in nestkasten slapende koolmezen. Toevallig zag ik afgelopen winter in de avondschemer een koolmees is een nestkast glippen. Nestkasten zijn bedoeld voor nesten, maar worden evenzeer gebruikt als schuilplaats voor de nacht. …
Gisteren noemde ik die wolf in Groningen en Drenthe de eerste die de grens overstak. Maar, ook afgezien van enkele vage meldingen uit de afgelopen jaren, zoals dat dode dier bij Luttelgeest, kwamen er lang geleden wel wolven voor in Nederland. Veel zullen het er niet geweest zijn, want wat er in het deltagebied maar aan land opdroogde, werd meteen door mensen bevolkt. Die hielden vee en doodden elke wolf die ze te pakken kregen. …
Toen die wolf laatst in Groningen en Drenthe langs de wegen sjokte, werden er meteen doodgebeten schapen gemeld. De schapen hadden wonden die op een hondenbeet wezen, maar uit dna-analyse blijkt de bijter toch die wolf te zijn geweest. Dat de wond meer op een hondenbeet lijkt, kan er volgens een bericht in deze krant (afgelopen goede vrijdag) aan liggen, dat het een jonge wolf is, die “de kunst van het bijten nog niet tot in de perfectie beheerst”. ’s Wolven jeugdigheid blijkt eveneens uit de dna-analyse. …
Als ik in een parkje loop, sjeest een kip me voorbij. Er scharrelen meer kippen rond. Het is zondagmiddag en de zon schijnt, in het parkje zijn gezinnen. Ik ga op een bankje zitten om het boekenweekgeschenk te lezen. Een kip scharrelt mompelend rond mijn bankje. Plotseling komt een haan aangestormd. Hij stuift met grote stappen op de kip af, bespringt haar, paart bliksemsnel en holt terug naar de andere kippen. …
Op mijn mededeling dat kauwtjes in mijn tuin het vogelvoer en de vetbollen opeten, kwamen zoveel reacties, dat het wel een gevoelige snaar leek. De mensen hebben allerlei obstakels aangebracht waar kauwen niet, maar mezen wel doorheen kunnen. Openstaande kanariekooitjes zijn het populairst en ook de beschermkooien uit de winkel worden gebruikt. Dat zijn meestal bolvormige contructies die precies om een voedersilo van hetzelfde merk passen. Zo’n voedersilo is al aardig beveiligd tegen ongewenste sujets. Het is een plexiglazen buis met een paar kleine openingen waardoor vogels zaden naar buiten kunnen trekken. …
“Je veter zit los!” Vandaag is het fopdag. Ze zeggen dat 1 april-grappen terug te voeren zijn op Alva die op 1 april Den Briel en daarmee zijn bril verloor.
Geen idee waarom dat 443 jaar later ons gefop legitimeert.
In de natuur wordt veel gefopt. Er bestaan zelfs fopzwammen. Die heten zo omdat ze er nu eens zus en dan weer zo uit zien, van rood tot vaalbruin. …
Het is hun voortplantingstijd, en prompt ligt er een prachtige zeedruif op het strand, die tijdens zijn vermenigvuldiging is overleden. Zoals zeevruchten geen vruchten zijn, is de zeedruif geen druif, maar een kwal. De naamgever vond het poliepje blijkbaar op een druif lijken, al is de kwal niet groen of paars, maar doorschijnend. En niet glad, maar geribbeld. Maar goed, wie zonder protest groene druiven wit noemt en paarse rood, moet ook niet zeuren over doorschijnende zeedruiven. …