Hebben zeesterren een voorkant?

Soms ligt het strand bezaaid met stervende zeesterren. Die kunnen wel lopen op hun honderden zuignapjes, maar niet snel genoeg om de bij eb terugtrekkende zee bij te houden.
In Zeepaard 86(2), het blad van de Strandwerkgemeenschap, schrijft Bram Langeveld over kruipende zeesterren. Hij vraagt zich af of ze een voorkant hebben en bekijkt daartoe aangespoelde zeesterren met een kruipspoor. Is daar een voorkeursrichting uit af te leiden of gaan zeesterren alle kanten op?
Maar dan nog: hoe bepaal je wat de kruiprichting is? Gewone zeesterren hebben vijf armen. Ze zijn net als zeeëgels vijfzijdig symmetrisch, als een kerstster. Soms wordt een zeesterren met vier armen gevonden. Dat is dan het gevolg van een gevecht of ongeluk, waarbij de zeester een arm heeft verloren. Soms groeien er twee terug in plaats van één. De twee nieuwe armen zien er dan uit alsof ze er tussen gepropt zijn. Heel soms worden er zeesterren gevonden met zeven, acht, en zelfs negen armen.
Hoe bepaalde Langeveld of zeesterren voor- dan wel achteruit kruipen? Hebben ze een voorkant? Wel, behalve een mond midden in de onderkant hebben zeesterren een klein kalkplaatje op hun bovenkant; een minischelpje, dat meestal goed te onderscheiden is. Dat puistje van kalk heet de madreporiet, wat zoiets betekent als moederzeef. Een zeester zuigt door zijn madreporiet zeewater naar binnen en pompt het er weer uit. Het lijkt wel een natte ademhaling en een zeester haalt ook zuurstof uit het zeewater, dat via een vatenstelsel de hele zeester doortrekt.
De madreporiet ligt meestal niet in het midden, zie foto, en dus kon Langeveld de positie van de armen ten opzichte van de madreporiet als leidraad nemen.
Na het bestuderen van 65 zeestersporen, 54 in Hoek van Holland en 11 in Noordwijk, viel er geen duidelijke voorkeur uit op te maken. Vier van de vijf armen gaven min of meer even vaak de richting aan. Alleen de arm tegenover de madrepoliet wees minder vaak in de kruiprichting, maar om daaruit conclusies te trekken zouden meer waarnemingen nodig zijn. Hopelijk zet de auteur zijn inventarisatie voort; hij lijkt me een kanshebber voor de Ig Nobelprijs.
(Natuurdagboek Trouw, dinsdag 7 juli ’26)