Kooivogels

Kooivogels

Kooivogels. Foto Mohammed Benzakour
Kooivogels. Foto Mohammed Benzakour

Toen ik onlangs in Marokko was, kwam ik terecht in een autobandenwwerkplaats. Dat is precies zo’n inspirerende omgeving als u denkt. Geen daglicht dringt door in de krochten waar zwarte vegen, glinsterende plassen en een enkele reclame-affiche de enige versiering zijn van de betonnen muren en vloeren. Hard gesis van hydraulische bandenpompen, het gekletter van enorme bandlichters op de grond en daardoorheen een hard jengelende radio maken communicatie nagenoeg onmogelijk. Wel was iedereen reuze-aardig en behulpzaam.

In een kooitje op de grond zat een putter op het enige zitstokje in zijn gevangenis. Aan zijn snavel zag ik dat ie soms geluid maakte. Waarschijnlijk zong hij zijn gevarieerde kwetterliedje. Niemand hoorde het, laat staan een soortgenote. In steden zingen zangvogels luider om over de herrie heen te komen, maar hier viel niet tegenop te schreeuwen.

Ik werd verdrietig van die putter. In allerlei landen heb ik gekooide vogels gezien. In Indonesië zijn (in het wild gevangen) kooivogels helemaal populair. Er zijn daar meer gekooide dan vrije vogels, lees ik in Het lied van Agilouz (€23,99), waarin Mohammed Benzakour vertelt hoe zijn liefde voor vogels begon, en dat die liefde leidde tot een queeste om in Indonesië vogels te bevrijden.

Hij blijft steken op Bali, waar genoeg vogelleed blijkt te zijn. Hij koopt vogels vrij, onder voorwaarde dat men van de opbrengst geen andere vogels koopt, en sluipt ’s nachts stiekem rond om kooien open te zetten of te forceren.

U zult vast bezwaren bedenken tegen ’s mans handelswijze, maar wie heeft nooit machteloos toegekeken naar dierenleed onder het mom van: ’s lands wijs, ’s lands eer, of: ik eet zelf toch ook weleens kip, of: misschien heeft die vogel het wel reuze naar z’n zin in die kooi, of: vrijlaten werkt de vogelhandel in de hand.

Daarbij is het eng; je zult betrapt worden. Ik heb ooit een versufte vis uit een emmer in het meer gegooid, toen de visser even niet keek. Mijn hart bonsde. Bij de putter in de werkplaats dorst ik er niet eens wat van te zeggen, ook niet in het kantoortje waar de machines en radio zwegen.

Had ik die putter laten ontsnappen, dan zou ik toch vooral mijn eigen gemoedsrust gediend hebben. Benzakour deed dat vast ook, en heeft daar een mooi boek over geschreven.

(Natuurdagboek Trouw, vrijdag 29 mei ’26)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *