IJzige vogels

Na zo’n ijzig weekend weerklinkt soms het misverstand dat het wel meevalt met die klimaatverandering. Maar het klimaat verandert met pieken en dalen. Zowel de pieken als de dalen worden geleidelijk aan hoger. Dertig jaar geleden zouden we wellicht een elfstedenwinter gehad hebben. Nu hebben we negen nachten en een dag vorst en een week sneeuw.
Als het nu lang en hard genoeg zou vriezen voor een Elfstedentocht, zou die er waarschijnlijk toch niet komen. Het ijs, hoe dik ook, zou de miljoenen toeschouwers niet houden. Gelukkig hebben we de beelden nog, zoals van de hel van ’63, toen de winnaars half bevroren over de finish ploeterden.
Wij mensen hullen ons van kruin tot teen in thermokleding, trekken (elektrisch verwarmde) laarzen en handschoenen aan en zetten sneeuwbrillen op.
Laatst schreef ik over onze hond, die in de sneeuw springt en wroet en in een horizontaal striemende sneeuwstorm achter ballen en stokken aanrent alsof het lente is. Nu heeft de hond een vacht, maar toch.
Stoer beest. Maar na de wandeling mag ze mee naar binnen, waar ze zich uitstrekt in haar mand, op de vloerverwarming.
Nee, dan de winterkoninkjes en goudhaantjes, die in de bomen niet of nauwelijks genoeg te eten vinden, om hun vijf gram lichaamsgewicht op peil te houden. Dan pakken roodborstjes het handiger aan, door hun foerageergebied uit te breiden naar de bosgrond en slootkanten. Ook benutten ze, net als mezen, de tuinen van zaaddonoren.
Nee, dan de ijsvogels, die van wak naar wak snorren, over velden, dwars door bossen en zelfs woonwijken heen. Ik zie er soms drie op een wandeling, op de gekste plekken. Ze hebben elk hun leefgebied, en laten zich voedselzoekend gemakkelijk zien. Als ze niet af en toe een visje vangen, gaan ze dood.
Nee, dan de wadvogels, die ook nog eens de wind van voren krijgen. Ze hebben zich in de herfst rond gegeten, en hopelijk vinden ze genoeg te eten om hun lijfjes op gewicht en temperatuur te houden.
Er gaan veel vogels dood. Niet dat de paden en bermen ermee bezaaid liggen; ze sterven liever ongezien en worden rap opgeruimd. Aaseters hebben het makkelijker.
Zelf trek ik na een ijsvogelwandeling mijn jas uit en pantoffels aan. De hond strekt zich uit in haar mand.
(Natuurdagboek Trouw, maandag 12 januari ’26)