Gillende waterral

Nu er een pak sneeuw ligt en op veel ondiepe wateren een dun laagje ijs, gaan sommige watervogels op zoek naar nattigheid. Je kunt ze op verrassende plekken aantreffen.
Op een wandeling met de hond stak er twee keer vlak voor ons een waterral fladderend over. De een zocht zijn heil bij open water, dichtbij een met riet en wilgen begroeid moeras waar ik vaak een waterral hoor. De andere ontmoeting geschiedde bij een wak in een slootje waar ik nooit waterrallen hoor. De plekken liggen zo ver van elkaar dat ik bijna zeer weet dat het verschillende waterrallen waren. De tweede leek me bovendien iets kleiner dan de eerste, maar dat kan gezichtsbedrog zijn.
Waterrallen zijn iets kleiner, iets grijzer van onder en iets bruiner van boven dan waterhoentjes. Ze hebben bovendien een langere, rode snavel, en even lange, maar dunnere tenen. Ze zijn onbekend – ik heb eens meegemaakt dat een redacteur een door mij opgevoerde waterral aanzag voor een typefout en veranderde in een waterrat. Waterrallen zijn er veel minder dan waterhoentjes, en ze zijn ook een stuk schuwer. Ze laten zich zelden zien.
Ik zie er weleens een langs een rietkraag scharrelen, door ondiep water of liever nog op drooggevallen maar vochtige strookjes langs het riet. Heeft de ral mij ook in de gaten, dan verdwijnt hij of zij in het riet. Daaruit weerklinkt soms de rallenroep: een spookachtig gekrijs dat altijd met een mager speenvarken vergeleken wordt. Ik ken het verschil in geluid niet tussen een dik en een mager speenvarken, maar geloof me als ik beweer dat een waterral gilt. Zo angstaanjagend als een blauwe reiger klinkt een waterral dan weer niet.
Op onze wandeling kwamen we ook drie keer een ijsvogel tegen, wellicht steeds dezelfde, en een watersnip. Dat is ook typisch een watervogel die bij vorst en sneeuw langs slootjes en vijvers te vinden is. De houtsnip is de droge neef van de watersnip. Die leeft in het bos. Ligt daar sneeuw, dan vindt de houtsnip moeilijker voedsel en verlaat ie het bos soms. Bovendien heeft hij op de sneeuw niets aan zijn anders zo perfecte schutkleur.
(Natuurdagboek Trouw, vrijdag 9 januari ’26)