Heideringelrups op zee

Heideringelrupsen leven op de hei. Kluwens heideringelrupsen zou ik niet op de oude steiger te Schiermonnikoog en de aangrenzende strook kwelder verwachten. Geen hei te zien daar. En toch is dat de plek waar we mijn dochter en ik ze aantreffen. Dochter ziet ze het eerst en waarschuwt me er niet op te staan. Maar er komen fietsers aan, op weg naar de jachthaven. Het risico voor de rupsen lijkt ons groot. We duwen de rupsen op een blad en verhuizen ze een meter van het weggetjes af. Daar zijn meer van die wriemelende rupsenclusters te vinden.
Ze zijn nog klein. Ik heb wel vaker een heideringelrups gezien op Schiermonnikoog, maar dat was een knaap van een rups. Die zaten bovendien in de duinen – weliswaar niet op de hei, maar evenmin op de kwelder.
De rupsjes zijn kennelijk nog niet groot genoeg om de wijde wereld in te trekken. De vrouwtjes van heideringelvlinders, lees ik op de site van de Vlinderstichting, zetten hun eitjes af in een ring rond een verticaal takje van een struikheideplant. Misschien zijn de eitjes waaruit ‘onze’ kropen wel in een ring om een plantje gelegd, maar dat was dan geen struikhei. Ik kan me niet herinneren ooit struikhei op Schiermonnikoog te hebben gezien.
Ze zullen wel kwelderplanten eten, zoals zeemelde of zeealsem. Hoe zout willen ze het hebben? Als ze daar groot op worden, zullen ze wel elk apart op pad gaan. Dan is het te hopen dat ze de weg naar het eiland weten te vinden en niet in zee belanden. Er zullen er ook wel veel worden opgepikt door de graspiepers en kwikstaarten die hier rondscharrelen. De drie soorten zwaluwen die hier jagen willen er vast wel even voor aan de grond komen. En anders zijn de steenlopers wel bereid een rupsje mee te pikken.
De rups die het overleeft, ontpopt zich in juli tot een kleine, maar stevig gebouwde nachtvlinder met bruin-witte banden op de vleugels en een flinke bos wit haar. Het vrouwtje zet in augustus haar eitjes af, waar in de lente de volgende generatie uitkruipt. Als ze in een zomerstorm op de oude steiger belandt, moet ze zich behelpen met kwelderplanten. En dan maar hopen dat ze niet tijdens een opgezweepte springvloed wegspoelen.
(Natuurdagboek Trouw, woensdag 4 juni ’25)