Alleen in het veen

Tussen de pollen zitten kale stukken modder. Die moet ik zien te vermijden. Anders bestaat de kans dat ik met ongepaste snelheid in verticale richting naar beneden verdwijn.

‘Houdt dat veen me wel?’ vraag ik als toezichthouder Van der Meulen me op een zompig eiland in de Alde Feanen achterlaat. ‘Waarschijnlijk wel’, is zijn geruststellende antwoord. ‘Als je maar niet die broekbossen in gaat.’ Ik zet vijf stappen en de bodem veert als een trampoline mee. Doodeng. Trilveen heet dit verschijnsel; een verwortelde laag die op het drabbige moeraswater drijft. ‘Hoe dik is die laag?’ Van der Meulen trekt een vragend gezicht. ‘Halve meter?’

Van der Meulen koerst het water op, mijn blikveld uit. Het leek me leuk; paar uur op een verlaten eiland, tussen de vogels en de bloemen. In mijn rugzakje zit een picknick. De zon knipoogt tussen de wolken door en zet een orkest zangvogels aan het werk. Fitissen riedelen van hoog naar laag, winterkoningen laten hun wekkers rinkelen, de tjiftjaf roept zijn naam, matkopmezen roepen tsietsiepèpè. Merels, zanglijsters en zwartkopjes hoor ik. Ik sta midden in het grootste moerasgebied van Friesland en hoor uitsluitend bosvogels. Weg uit dit wilgen- en elzenstruweel, het eiland op. Plattegrond en kompas heb ik bij me. Het eiland heet Hoannekrite en meet ongeveer een kilometer in het vierkant. Tussen broekbossen en rietvelden door slingert zich een strook schraal grasland. Volgens de kaart dan. ‘Je zou kunnen proberen daarlangs te lopen naar de Kop van Jacobi’, opperde Van der Meulen nog met een bedenkelijke frons. Dat is de zuidwest-hoek van het eiland en daar schijnt een aanlegplaats te zijn. Laat ik het maar proberen; heb ik tenminste een streven. Die picknick kan ik wel vergeten hier; de Hoannekrite drijft als een enorme spons in de Grutte Krite. Tijdens het kaartlezen heeft zich rond mijn voeten een kuil gevormd die vol water staat. Bruin water.

Ik plas-dras door het schrale grasland: een veld vol zegge met hier en daar een felroze bloem. Spaanse ruiter en rietorchis staan in bloei. Ook roze bloeit het moeraskartelblad. Het waterdrieblad is al uitgebloeid. Hommels, waterjuffers en libellen zoemen af en aan. Ik zet enthousiast een stap in de richting van een paar fikse orchideeën, die ik wil fotograferen. Iets té enthousiast. ‘Glop!’ zegt het moeras. Mijn been zakt er tot de knie in. Een geluk dat mijn laars niet achter blijft in de zuigende blubber. Ik schuifel verder. Op iedere beweging reageert de bodem met klokkende en slurpende geluiden. Het ruikt hier vochtig en gronderig. De geur van kamerplanten die je lauw water geeft. Maar door die zompige aroma’s ruik ik de opgewekte geur van pepermunt. Moeras zou geen moeras zijn als er geen watermunt groeide.

Toch vreemd hoe snel ik aan die verende grond wen. Als ik tien stappen lang niet wegzak, speur ik alweer onbekommerd rond naar gevleugelde bezienswaardigheden. Reigers wieken statig op uit de broekbossen, waarin ze broeden. Minstens zeventig nesten hebben ze er gebouwd. Wat een knotsen van vogels toch. Hoewel, daar vliegt er een die me kleiner lijkt. Heeft ook een snellere vleugelslag en ziet er donkerder uit. Door de verrekijker blijkt het een purperreiger te zijn. En daar nog een! Drie paartjes broeden hier. Dat zijn dan de noordelijkste purperreigers van de wereld.
Alsof je in gedachten verzonken de trap oploopt, en je denkt dat er nog een tree komt, maar die komt niet. Iets dergelijks gebeurt er als je verrekijkend door de Alde Feanen banjert. Zomaar ineens verdwijnt de grond onder je voeten. Een dunne plek in het trilveen. De bodem deint een halve meter weg, maar ik zak er net niet doorheen. Een mirakel. Een lange stok duw ik er moeiteloos helemaal in. Ik ben in een soort geul beland, te zien aan het riet dat hier tussen de zeggen, russen en biezen groeit. Van pol tot pol stappend kruis ik de verraderlijke geul. Hoe diep zou de drab zijn onder die drijvende laag? Jan Wolkers schreef, ik geloof in Gifsla, over iemand die er een lijk in wilde verstoppen. Hij stak met een spa een gat uit de trillende laag en duwde het verstijfde lichaam erin. Het lijk schoot steeds terug en bleef als een dobber drijven. Het grijnsde hem aan met een gezicht vol modder en sliertige waterplanten.

Weer een geul, een veel bredere nu. Tussen de pollen zitten kale stukken modder. Groene en bruine kikkers springen er pardoes in, maar ik moet die plekken vermijden. Anders bestaat de kans dat ik met ongepaste snelheid in verticale richting naar beneden verdwijn. Van te voren heb ik de redactie beloofd in zo’n geval mijn notitieblok achter te laten, zodat dit artikel tenminste gespaard blijft voor It Fryske Gea. Ik heb geen ambitie geconserveerd te worden als veenlijk en maak een omtrekkende beweging naar waar het blauwgras groener lijkt en ik de oversteek aandurf. Helaas; steeds ziet het er verderop begaanbaarder uit dan vlak voor me. Ik djomp besluiteloos verder en mijn besluiteloosheid wordt beloond: bordeauxrode plantjes schemeren aan mijn voeten door zegge en wederik. Ik buk en ja hoor, zonnedauw. Ronde blaadjes met tentakeltjes waartussen vliegjes verteerd worden. De witte bloempjes staan op het punt van ontluiken.

Rechts strekt een rietveld zich uit. ‘s Winters wordt het riet gemaaid door één van de rietsnijders die in de Alde Feanen hun brood verdienen. Ik passeer een stapel rietbundels en daar ligt warempel een jongeman te luieren. Wat zullen we nou beleven, hier mag toch niemand komen op mij na dan? Hij blijkt voor It Fryske Gea de vegetatie op het eiland in kaart te brengen. De zeldzaamste plant die hij heeft ontdekt is de groene knolorchis. Nooit van gehoord, staat ook niet in mijn plantengidsen.
Een bruin vogeltje met lange staart landt in het riet. Zijn koddige koppie met zwarte bakkebaarden verraden dat het een baardmannetje is. In het riet zingen heel andere vogels dan in het broekbos. Rietgorzen hangen aan rietpluimen ‘tjiptjiptuddeduddedie’ te zingen, de kleine karekiet roept ‘karrekarrekietkiet’, rietzangers kwetteren erop los en ik word zowaar verblijd door het muzikale wijsje van een blauwborst. Of wijsje, de blauwborst zingt zoveel wijsjes, maar altijd met lijsterachtig timbre en een paar metalige ‘ting’-klanken.

Iets sperwer-achtigs met kromme, spitse vleugels scheert over. ‘Koekoek!’ roept hij. Geen vogel is zo makkelijk aan zijn roep te herkennen. Hij landt in de bomen op de westoever van de Hoannekrite. Ik volg hem en bereik de overkant van het eiland. Nu nog zo’n zevenhonderd meter langs de Rânsleat; inmiddels voel ik mij een ervaren veenloper. De Kop van Jacobi is een opengestelde enclave in het ontoegankelijke moeras. Er is een veldje met vuilniscontainer en zelfs een glasbak. Twee jachten liggen er. Dit mogen dan de Alde Feanen zijn, in het leegste deel van Friesland, het blijft Nederland. Hek, bordje ‘natuurreservaat’, vuilnisbak en in het water een familie eend die hoopvol op mij afpeddelt. Want mensen hebben broodkruimels.

Koos Dijksterhuis
In It Fryske Gea, april 1998