Natuurdagboeken op dijksterhuis.net
Jong riet

Jong riet

Foto Koos Dijksterhuis

Nu de winter maar niet voorbij het herfst-stadium wil raken, blijft gras groeien. Het groeit niet hard, althans, onbemest gras groeit niet hard, maar toch. Ik zie het aan het verschil met het door onze cavia’s en konijnen begraasde deel. Ze gaan naar buiten als het maar even kan, omdat die beesten zichtbaar opleven van bewegingsruimte en buitenlucht. Vooral de cavia’s zijn graasmachientjes. Zodra ze buiten zijn beginnen ze te knabbelen en ze onderbreken hun geknaag alleen voor gezamenlijke sprintjes naar het caviahuisje. Bijvoorbeeld als een kat of ekster nadert.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Tuinvogels tellen

Tuinvogels tellen

Kauw aan de vetbol. Foto Koos Dijksterhuis

Zondag droeg ik een verhaaltje voor in Vroege Vogels. Het programma stond in het teken van tuinvogels. Of specifieker: van de tuinvogeltelling van gastheer Vogelbescherming. De presentatoren vroegen me of ik had geteld. Oeps, nee, glad vergeten, maar ik zal het vanmiddag doen. Aldus deed ik. De specht, de mezen, roodborstjes en duiven van zaterdag lieten zich niet zien. De eenden en meerkoeten die vanuit het aangrenzende water vaak mijn tuin beknabbelen waren nergens te bekennen.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Kersenbloesem in de winter

Kersenbloesem in de winter

Sierkers. Foto Koos Dijksterhuis

Midden in de winter bloeit er een prunus alsof het lente is en de meikersen in aantocht zijn. Ik kende de winterjasmijn, de mahonia en nog een paar winterbloeiers, maar deze niet. Prompt zie ik ze vaker, gek is dat, hoe je iets jarenlang over het hoofd kunt zien. Het is een Japanse sierkers. Dat schijnt in Japan een geliefde tuinboom te zijn. Eind negentiende eeuw nam iemand er een paar mee naar Nederland.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Kattenkwaad

Kattenkwaad

Kat op voederplank. Foto Harvey van Diek

Vogels zijn populair, zelfs in de stenigste tuintjes zie ik nestkasten en vetbollen hangen. Zelf heb ik ze ook opgehangen. Het is leuk om vanuit de huiskamer vogels in de tuin te zien. Mijn tuin is in trek bij vogels. Het is een mini-natuurgebiedje. Een natuurtuin vergt minder werk dan een strakke tuin zonder onkruid. Veel mensen hebben een hekel aan tuinwerk, maar verkiezen tegels. Iedere ontgroende tuin maakt het land wat bleker.

De meeste mensen hebben behalve een tuin ook een kat. Ik denk wel eens dat ik in mijn wilde tuin met nestkastjes en vetbollen kattenvoer kweek. In bijna de helft van onze 7 miljoen huishoudens woont een kat. In 2005 waren er 3,3 miljoen huiskatten. In 1997 waren dat er 2,2 miljoen. In  acht jaar tijd anderhalf keer zoveel katten. Hoeveel zouden er nu zijn, zeven jaar later? Misschien wel vier miljoen. Het leeuwedeel van de katten loopt buiten. Katten kunnen volgens hun baasjes niet binnen blijven, dat is zielig. Alleen voor dure raskatten is dat niet zielig. Baasjes vinden zelfs een kattebelletje dat vogels waarschuwt zielig.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Tafeleenden

Tafeleenden

Tafeleend m. Foto Erik Sanders

In stadsvijvers en grachten komen ze ook wel, maar liever dobberen ze op grotere plassen, met weelderig begroeide oevers. Tafeleenden duiken daar naar dierlijke en plantaardige hapjes. Soms grondelen ze ook, net als wilde eenden. Dan strekken ze onder water hun nek naar de bodem, waarbij hun staart als een dobber uit het water steekt.  Ze zijn vaak in gezelschap van kuifeenden, wilde eenden, smienten, futen en meerkoeten. Tafeleenden zijn herkenbaar aan hun oranje kop en zilvergrijze rug. De woerden tenminste. De vrouwtjes zijn bruin, ze hebben een saai verenkleed dat niet opvalt tussen de oeverplanten waarin ze broeden.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
(Zang)vogels ruiken

(Zang)vogels ruiken

Noordse stormvogel met neus, Foto Koos Dijksterhuis

Vogels kunnen ruiken. Wist u dat of kijkt u daarvan op? Het is al eeuwen bekend. Niet dat vogels een even fijne neus hebben als zoogdieren. De meeste kunnen uitstekend zien en horen, hun reuk is minder ontwikkeld. Toch is het voor stormvogels en albatrossen handig om snel te ontdekken dat ergens op zee een dode vis drijft. Die vogels ruiken dat, hun reukorgaan ligt als een buisje op de snavel. Van gieren is bekend dat ze rottend vlees ruiken. Kiwi’s zijn bijna blind en vangen regenwormen op de geur. Hun neus zit aan de snavelpunt.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Boterbuik

Boterbuik

Grote zaagbekken. Foto Jeanette Essink

Het land is grijs, het water is zwart, de lucht is grauw. Grote zaagbekken brengen kleur in winters Nederland. Zaagbekken zijn fraai uitgedoste eenden, met lange, dunne, rode snavels. Die snavels zijn getand. Zaagbekken duiken naar vis, ze zwemmen onder water achter vis aan. Dan is zo’n zaagbek handig. Die geeft grip op de glibberige spiering. De grote zaagbek is iets groter dan een wilde eend. De woerd heeft een glanzend donkergroene rug en kop en natuurlijk die rode snavel, en een witte buik, gebroken wit. Aan die kleur dankt hij zijn bijnaam boterbuik. Grote zagers, zoals vogelaars zeggen, broeden in de taiga van Finland, Zweden en Rusland, tot ver achter de Oeral. In het stille, uitgestrekte naaldwoud leggen ze hun eieren in boomholten. Ook door nestkasten laten ze zich wel bekoren. Als er maar water in de buurt is, water met veel vis. De taiga wordt doorsneden door rivieren die koele, donkere meren voeden.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
(R)evolutie

(R)evolutie

Het revolutionaire van Charles Darwin was niet het idee van natuurlijke selectie, want dat bestond al. Vooral de bekendmaking ervan aan een breed publiek gaf de Victoriaanse wetenschap een dreun als een heipaal. Dat vertelt de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins in een tjokvolle Nieuwe Kerk in Groningen.

Natuurlijke selectie werd allang erkend. Darwins tijdgenoot Edward Blyth zag natuurlijke selectie als mechanisme om alles wat niet in Gods schepping paste, eruit te werken. Natuurlijke selectie als handhaver van de bestaande toestand. De Schotse landheer Patrick Matthew paste natuurlijke selectie toe in de veredeling van appels en hout. Hij zag in dat natuurlijke selectie een evolutionaire verandering in gang kan zetten. Alfred Russel Wallace kwam op hetzelfde idee als Darwin: dat natuurlijke selectie de motor is achter soortvorming en dat daar geen schepper voor nodig is. Maar Darwin wist in 1859 met zijn Origin of Species de wetenschappelijke en lekenwereld op zijn kop te zetten.

Na Darwins dood, vertelt Dawkins, is de evolutietheorie gecombineerd met de erfelijkheidsleer van Gregor Mendel. En sinds chromosomen, genen en DNA bekend zijn, begrijpen we hoe natuurlijke selectie plaatsvindt. Mendel kruiste erwtenrassen van verschillende kleur. Hoe meer kleuren je mengt, des te grauwer wordt de mengkleur. Maar Mendels zaailingen kregen toch erwten van oorspronkelijke kleuren, niet van een mengkleur. Dankzij recombinatie van DNA en af en toe een mutatie wordt het leven juist steeds kleur- en soortenrijker. Als populaties gescheiden raken en geen erfelijk materiaal meer (seksueel) uitwisselen, gaan ze elk hun eigen evolutionaire weg, tot ze zo verschillend zijn, dat ze dat niet eens meer kunnen uitwisselen. Zo ontstaan soorten. In sommige kringen is dat nog steeds een revolutionair idee.

DELEN
Verre schelpen op de dam

Verre schelpen op de dam

Grote mantel en Portugese oesters. Foto Koos Dijksterhuis

In Lauwersoog lopen we op de dam tussen vissershaven en Waddenzee. Aan de landkant liggen vissersschepen, aan de zeekant steekt een skyline uit de horizon van vuurtoren, watertoren, Kobbeduinen, Willemsduin. Schiermonnikoog dus, een eiland om verlangend naar uit te kijken. De dam loopt dood bij de veerhaven. Hier zijn bij eb oesters van de dijk te plukken. Portugese oesters zijn het, niet zolang geleden door schelpdiervissers uitgezet in de hoop op iets te vissen. De schelpdieren bleken zich zo vast te hechten, dat het niks werd met het vissen. Intussen bedekken ze de halve Waddenzee.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Het gaat niet om de soort

Het gaat niet om de soort

Gewone zeehond. Foto Rob Buiter

In de zaterdagkrant stond vorige week een mooi verslag over een opvangcentrum voor zielige dieren. ‘Elk diertje telt’, schreef Cyriel van Rossum, terwijl hij dode muizen en kuikentjes sorteert als voer voor bosuil en torenvalk. Onze dierenliefde is selectief. Muizen, kikkers, vissen mogen dood, we voeren ze onbekommerd aan ooievaars, fretten en zeehonden. We hebben een liefdeshierarchie: eerst onszelf, onze kinderen en familie, dan vrienden en andere mensen, vervolgens op ons lijkende dieren en huisdieren en dan steeds minder aan ons verwante diersoorten. Insecten sluiten de rij, behalve dagvlinders en lieveheersbeestjes.

Van Rossum vraagt zich af waarom mensen dieren redden. Niet voor de natuur, meent hij, want ‘als een vogel te zwak is om op eigen kracht te overleven, te traag om uit de klauwen van een kat te blijven, is hij een drop out van het onverbiddelijke selectieproces dat de soort sterk moet houden.’ Los van de vraag of huiskatten natuurlijk zijn, is het een oud misverstand dat soms nog opduikt: dat zwakke individuen dood gaan omdat dat nodig is voor de overleving van de soort. Maar bij natuurlijke selectiedruk op individuen speelt de overleving van de soort geen rol.

Lees Meer Lees Meer

DELEN