We lopen door een bos en een hazelworm steekt kronkelend het pad over. Hij meet zo’n 45 centimeter. We denken meteen aan een kleine slang. Maar een hazelworm is geen slang, het is een op een slang lijkende hagedis zonder poten.
Hazelwormen steken net als slangen steeds hun tongetje uit. Dat tongetje is wat minder gespleten dan slangentongen, maar gespleten is het wel. Hazelwormen hebben knipperende oogleden, slangen lijken ooglidloos. Het ooglid van slangen is een soort raampje voor het oog. Slangen leggen eieren, hazelwormen niet. Ze baren levende jongen die meteen op eigen benen staan, als ze die hadden. …
Zondag hoorde ik een tjiftjaf in de tuin. Hij herhaalde minutenlang zijn naam. In april en mei was het getjiftjaf niet van de lucht. De ene na de andere tjiftjaf zweeg en nu begint een enkeling weer. Die is op trek naar het zuiden. Tjiftjaffen zijn kleine, bruingroene vogeltjes. Ze scharrelen door boomkruinen en struikgewas, liefst dicht struikgewas als braam, waarin even boven de grond nestelen. Net als fitissen zijn ze zeer algemeen. …
Vier jaar geleden was ik op Schiermonnikoog tijdens een muggenplaag. Een natte periode werd gevolgd door een warme en de plassen wemelden weldra van de muggenlarven, waarna de muggenzwermen Laplandse proporties kregen. Overdag kon je ook in de zon niet buiten zitten, of je moest al een bolknak roken. …
Sommige lenteplanten bloeien in de nazomer nog even op. Minder dan in de lente, maar toch. De klimroos tegen mijn achtergevel geeft in augustus een bonus van enkele dieprode bloemen. Vooral met de zon erachter zijn die mooi. Alsof dat nog niet genoeg is, strijkt er een zweefvlieg op neer, een pyjamazweefvlieg. Die heet zo naar zijn streepjespakje. Niet zozeer de zwart-gele streepjes, maar de grijze lengtestrepen bovenop zijn glanzende, koperkleurige borststuk.
Als deze zweefvlieg een pyjama draagt, is het een dunne zomerpyjama, bij het doorschijnende af. De zon schijnt dwars door de zweevlieg heen. Nu schijnt hij dus door zwel de zweefvlieg als de bloem. Een zeldzaam natuurverschijnsel is het niet, wel zeldzaam mooi.
Pyjamazweefvliegen hangen met snorrende vleugels stil in de lucht, om ineens een meter weg te schieten. Ze zijn algemeen in tuinen en waar niet al, zelfs op het strand vliegen ze. Ze zijn dan ook niet kieskeurig over voedsel – ze lusten de nectar en het stuifmeel van bijna alle bloemen, al zijn schermbloemigen favoriet. Hun larven zuigen bladluizen uit. Dat maakt de zweefvliegen populair bij tuinders als biologische luizenbestrijders.
Pyjamazweefvliegeneutjes zijn wit en langwerpig. Een vrouwtje zet ze tussen de bladluizen af, meestal aan de onderkant van een blad. Na een paar dagen komen ze uit temidden van een feestmaal.
Als bladluislarven besef hebben van hun bestaan, zouden ze toch spontaan geloven in een Helpende Hand? Die hand is er ook: hun moeder, maar waarschijnlijk weten ze dat niet. De larven zijn een beetje doorzichtig, ze glimmen en lijken op platte rupsjes. Als de larven zich verpoppen, lijken ze op bruine kloddertjes.
Als we op Schiermonnikoog zijn, hoort een tochtje naar de Balg erbij, de weidse zandplaat aan de oostpunt van het eiland. Zoon van 9 kijkt ernaar uit. Vorig jaar vond hij zijn eerste noordkromp en zijn verwachtingen zijn hoog gespannen. Dochter van 13 mag met logerende vriendin thuis blijven, maar nee, ze wil best mee, al voegt ze nuffig toe dat zoon en ik vooral schelpen moeten zoeken of wandelen als we zo nodig willen, maar dat vriendin en zij gaan zonnebaden.
De broodjes worden gesmeerd, de flessen gevuld, de banden opgepompt en de roestige barrels bestegen. Het lijkt warm te worden, maar eenmaal op het strand drijven sombere wolken uit het westen aan. We zoeven over het zand voor de wind de tien kilometer naar paal 16. De wind striemt het zand tegen onze benen, de blote voeten krijgen ervan langs. ‘Kom’, zegt dochter opgewekt, ‘we gaan naar de punt’. Nee maar, anders is ze hooguit na een half uur smeken, vleien, dreigen en dwingen bereid tot een mokkend ommetje waarin ze elke tien seconden vraagt of we al teruggaan. ‘Je kunt er zeehonden zien’, voegt ze toe ter overtuiging van vriendin. Daar benen ze weg, langs de vloedlijn.
Zoon en ik zigzaggen over het hogerop gelegen zand. Helaas is er geen oostenwind geweest die het stuifzand wegblies. De westenwind voert juist stuifzand aan. Toch zijn er schelpenveldjes en we vinden gedoornde en noordse hartschelpen, otterschelpen, tepelhorens, wulken en oesters, maar geen noordkromp. Noordkrompen zijn grote, stevige schelpen uit noordelijke zeeën. De Waddeneilanden zijn de zuidgrens van waar je ze kunt vinden, en de oostpunt van Schier is daarvoor de beste plek. De noordkromp is het oudst wordende dier ter wereld en haalde daarmee de superstatus op de dierenplaatjes van Albert Heijn en Wereldnatuurfonds. Een noordkromp kan vier-, vijfhonderd jaar oud worden maar wordt in de Noordzee lang voor hij zo bejaard is al verbrijzeld door de kettingen van sleepnetten. De kleppen op het strand liggen er al jaren.
Eindelijk bereiken we de punt. Het is bijna hoog water, de Balg is op zijn kleinst. Toch hebben we er twee uur over gedaan. Zoon is moe en baalt ervan dat de noordkrompen niet voor het oprapen liggen. Enig vertier bieden de zeehonden, die met honderden op Simonszand liggen, achter de geul, van wie er twee op tien meter afstand watertrappelend uit het water oprijzen. Ze koekeloeren naar ons, die vreemde snuiters die door hun zee waden.
De duintjes bij paal 16 waar de fietsen staan zijn niet meer te zien. Volgens de gps is de afstand vier kilometer. Vier kilometer zand ten oosten van het eiland. We lopen in een rechte lijn terug. Zoon heeft de hoop op noordkrompen opgegeven. Zijn stemming daalt met iedere stap. Het loopt zwaar door het zachte zand, vochtig van de springvloed en de regen. Ineens ligt er voor mijn voeten een grote noordkromp. Had zoon die maar gevonden, dat zou het moreel goed doen. ‘Die rotbalg’, moppert hij, ‘ik hoef al geen noordkromp meer. Noordkrompen zijn stom.’ Tien meter verderop schopt hij een wulk weg. Maar dan schreeuwt hij plotseling: ‘papa!’ Hij rent op me af met een noordkromp, nog groter dan de mijne. Neuriënd huppelt hij van wulk naar oester. Dochter vindt ook een noordkromp en halverwege de voettocht vindt zoon er nog één. Een reus, een prachtexemplaar. Hij straalt.
De fietstocht over het glibberige pad door het slijk onder de duinrand is zwaar. Tegenwind, diepe slenken waar we door moeten, regendazen die pijnlijk bijten. De meiden ploegen dapper voort, maar zeggen dat ze nooit meer naar de Balg gaan. Zoon valt en moet huilen. Ik duw hem, deel snoepjes uit, geef hem water en houd hem chocola voor. Voorbij het gat in de stuifdijk bij paal 11 wordt het pad steviger. Paard ruikt stal, zoon de ijsjes en sapjes in het strandpaviljoen. Hij fietst steeds harder, hij haalt me in en zegt: ‘ik ben de noordkrompkampioen’. Voor me hoor ik hem neuriën. De zon breekt door en ze mogen bestellen wat ze maar willen. ‘Gaan we deze week nog een keer?’ vraagt zoon. ‘Dan ga ik ook mee’, zegt dochter.
Als we het Spreewald verlaten, stappen we rond de middag in Berlijn over op de trein naar Nederland. We hebben ruim de tijd en zoeken bij het enorme, glazen Hauptbahnhof een plekje om onze lunch te smeren. Van Berlijns groene karakter is in de stationsomgeving niets te merken. We strijken neer op de brede trap naast het station. Maar nu wij de stadsnatuur niet kunnen vinden, vindt de stadsnatuur ons. Zodra we ritselen met een zak waarin brood zou kunnen zitten, nemen tientallen, misschien wel honderden mussen de trap in bezit. Wij vormen het epicentrum van de tjilpende vloed. …
Middenin de stad zat op een vlinderstruik een enorme zweefvlieg. Het bleek een stadsreus te zijn. Ik vond dat een toepasselijke naam. Ik kreeg hem moeizaam op de foto. Het dier was beweeglijk en een beetje angstaanjagend. Al weet ik dat een zweefvlieg niet steekt, toch schrikt dat zwart-geel gestreepte af. En dan ook nog zo’n joekel… Met 2,5 centimeter toch 2,5 keer de lengte van een gewone pyjamazweefvlieg en veel breder en forser. Maar de stadsreus is een watje dat geen vlieg kwaad doet: hij eet stuifmeel en nectar.Mimicri heet de imitatie van gevaarlijke dieren, opdat belagers terugdeinzen. Het werkt zo goed, dat de meeste mensen zweefvliegen eng vinden en het liefst doodslaan. Dan schiet het imiteren zijn doel voorbij en werkt het averechts. …
We stappen langs de waterlijn op het Noordzeestrand van Schiermonnikoog. Drieteenstrandlopers dribbelen mee, sommige nog roestbruin van hun zomerkleed. Er zijn meer gevederde poolreizigers op de terugweg: bonte strandlopers, kanoetstrandlopers, rosse grutto’s vliegen langs. Een steenloper rent langs aangespoelde bosjes zeewier. De vogels hebben op de toendra gebroed, in Groenland of Siberië. Ze overwinteren hier of verder zuidelijk, tot Zuid-Afrika aan toe. Grote sterns leren hun jongen zandspiering vangen: als witte pijlen schieten ze met ingeklapte vleugels de zee in. Die hebben gebroed op de wadden, vermoedelijk op Griend, waar een grote broedkolonie is. Maar met hun vliegvlugge jongen stropen ze de kust van Schier af, waarvan ze uitrusten op het Oosterstrand. …
Op het platteland van Oost-Duitsland is het sinds de Wende nog niet gelukt met Europese subsidie alle akkers net als in het westen te steriliseren van korenbloemen, klaprozen, margrieten, houtwallen, bosjes en verruigde hoekjes. De vooruitgang kost tijd.
Het Oost-Duitse platteland heeft nog prachtige velden en akkers met meidoorns en kruidige randen. Daar leven knaagdieren, grote insecten en zangvogels. En dat zijn weer prooien voor roofdieren. Vlak over de vroegere grens zien we al zwarte en rode wouwen cirkelen en drie keer een grauwe kiekendief jagen.
Grauwe kiekendieven zijn de rankste roofvogels ter wereld: ze wegen een paar ons, maar met hun lange staart en vleugels zijn ze behoorlijk groot.
Ik heb meerdere akkerbouwers horen zeggen dat ze van die vogels genieten, terwijl ze op het land werken.
We wandelen door een enorme weide. Het zandpad is omzoomd met bloemen als vlasbekje, zandblauwtje, hazepootje en knoopkruid. Het zoemt en tjirpt van de bijen, zweefvliegen, kevers, krekels en sprinkhanen. Vlinders dwarrelen met ons mee. Veldleeuweriken vliegen her en der op. Bij een dobbe, een drinkplasje voor vee, staan een paar wilgjes in de rietkraag. Op vijf wilgjes zit een grauwe klauwier: een gemaskerde zangvogel met stevige snavel, die muizen, hagedissen en insecten eet. Echt een vogel van ouderwets boerenland.
Alweer een grauwe kiekendief zweeft voorbij. In de verte zit een enorme roofvogel op een prooi: een visarend.
En door een stoppelveld stappen twee kraanvogels, één van de mooiste vogels van Europa, en gek op oogstresten van maïs, graan en bieten.
Wat een feest, zo’n veld. In Nederland proberen we met veel moeite ook onze verdwenen akkernatuur te herstellen. Het is maar wat je vooruitgang noemt.
Het meer in de Oost-Duitse dennenplantages heeft een strandje, een primitieve camping en twee rommelige blokhutten die elkaar beconcurreren met allerlei blikvoer, snacks, Brat- und Bockwürste voor DDR-prijzen. Het ene loket wordt gerund door een militante matrone.
Haar buurman is een aimabele vent met pretogen. Bij hem zitten we een tijdje op plastic stoelen. We kijken naar de weinige campinggasten die zich te water laten – spiernaakt volgens Oost-Duits gebruik.
Na een elegante prooi-overdracht van kiekendiefman aan kiekendiefvrouw passeert een zwarte wouw. Ook al zo’n vliegvlugge roofvogel die van water houdt. …