Uit het Oostenrijkse dorp waar we zijn vertrekt wekelijks een bus naar een ijsgrot. Een ijsgrot lijkt jong en oud wel wat. We vertrekken half 10 en zijn er een half uur later. De bus slalomt ronkend een berg op. Als we voor de entree onze spaarpot hebben omgekeerd, stijgen we een half uur door de mist naar een kabelbaan die in een paar minuten honderden meters hoogteverschil overbrugt. Ook boven is het mistig. Door de mist klinkt het hoge, gezellige gekwetter van Alpenkauwtjes. Dat zijn kraaiachtigen met zwarte veren, rode poten en een gele, kromme snavel. Zoon merkt op dat zij zichzelf misschien wel kauwtje noemen en onze torenkraai als laaglandkauw bestempelen. Opgewonden over deze vondst struikelt hij en kukelt hij bijna de loodrechte rotswand af. …
In een sloot zag ik een waterjuffer eitjes afzetten. Ze stipte met haar kont telkens de waterspiegel aan. Een houtpantserjuffer was ze dus niet. Houtpantserjuffers zetten hun eitjes niet af in het water, maar in de bast van loofboomtakken. Die moeten wel boven het water hangen, want de larven laten zich van de tak af in het water plonzen. Daar vervellen ze meteen, want hun eerste velletje is waterafstotend. In de boom is dat handig als verdediging tegen regen en dauw, maar in het water ondoenlijk en dus ontdoen ze zich ervan. Als larve vervellen ze nog negen keer. Ondertussen jagen ze op muggenlarven. Van juni tot oktober kruipen ze uit het water en sluipen ze uit hun huid. Eind augustus vliegen de meeste houtpantserjuffers rond. …
Zeggen zijn planten die eruitzien als grassen, maar geen grassen zijn. Er zijn tientallen soorten zeggen, ze zijn klein of groot, ze groeien in dikke of dunne pollen, geel, groen of blauw. Blauwe zegge vormt in groten getale de blauwgraslanden waar Nederland ooit groot in was. Veel zeggen houden van vochtige grond met kalrijke kwel, of van kalkhoudende duingrond of van veen. Van klein houden ze niet, het is ze te vruchtbaar.
Omdat zeggen op gras lijken, zijn ze vaak niet zo spectaculair om te zien. Hoewel er gekweekte sierzeggen zijn. Wilde zeggen zijn lastig te determineren. De dwergzegge is één van de minst opvallende. Toch heb ik meegemaakt dat doorgewinterde botanisten zich laaiend enthousiast ter aarde wierpen als ze dwergzegge vonden. Goed bekeken zijn het ook mooie plantjes.
Dwergzegge groeit in kleine polletjes. De driekantige stengeltjes bewijzen dat het echt een zegge is en geen gras. De lange, smalle blaadjes zijn niet driekantig maar plat, met een scherpe nerf. Zeggezaadjes zijn nootjes die achter een schutblaadje schuilgaan. Ze worden urntjes genoemd. De urntjes van de dwergzegge zijn piepklein. Maar ze klonteren samen aan de steel. Eerst zijn ze geelgroen, later kleuren ze goudgeel.
Afgelopen lente struinde ik vaak met natuurkenners door Flevoland. Ook dwergzegge kreeg ik daar te zien, op een kalkrijk strandje aan een randmeer. Wat de soort ook geliefd maakt bij sommige plantenkenners, is dat dwergzegge vaak in gezelschap van andere bijzondere duinplanten groeit. Van andere soorten zegge bijvoorbeeld. Soms kruisen die onderling. Dat maakt ze nog lastiger te herkennen. Dwergzegge kan kruisen met geelgroene zegge. Ze worden dan ook als ondersoorten van één soort beschouwd.
Laatst ging het natuurdagboek over vlasbekjes, terwijl er een foto bij stond van hengel. Die misstap bleek een uitstekende graadmeter te zijn van de aandacht waarmee het natuurdagboek gelezen wordt. De correcties stroomden binnen. Hartelijk dank daarvoor, het was een onvergeeflijke slordigheid. Ze lijken ook op elkaar, die twee planten. Hengel was één van de eerste bloemen die mijn vader mij aanwees in het bos. Toen al verwarde ik hengel soms met vlasbekje. Dat heette toen nog vlasleeuwebekje. …
In de Harz beklimmen we tussen de buien door de hoogste top van de Harz. De Brocken, die dankzij Goethe beroemd werd als zetel van de heksen. Goethe schreef lyrisch over de bossen van de Harz, die hij als ambtenaar niettemin rigoureus liet omhakken. Met het hout werden mijnschachten gestut. Uit die mijnschachten kwam steenkool. Dat is de brandstof van de stoomtrein die vol toeristen de Brocken op tuft, zwarte rook- en witte stoomwolken blazend. De trein nadert de top vanuit het noorden, wij vanuit het zuiden. Als we er bijna zijn, schrikken we ons wild van de stoomfluit. …
Ze zijn mooi hoor, maar in de tuin wel erg aanwezig. Haagwindes zijn nauwelijks in toom te houden. Andere planten buigen en breken onder het gewicht van de slingerende woekeraar. Je kunt je erover opwinden, maar dat helpt niet. Ik ruk ze soms uit, slinger ze los van hun draagplant, maar tegen haagwinde is zwaarder geschut nodig. Geschut dat veel, zoniet alle planten doodt. Vergif dat de bodem doordrenkt, waar de haagwindes wortelen. De schoffel laat altijd wel een stukje windewortel zitten en één stukje wortel wordt een tuin vol winde. Of de bodem bedekken met worteldoek, twee jaar lang. Mij niet gezien. …
We zetten de tent op aan een bosrand in de buurt van Dresden. Wild kamperen is een beetje spannend. Niet vanwege struikrovers – als die tenten willen, bezoeken ze eerder een camping dan een bos. Ook niet vanwege de wolven – we dragen geen rode kapjes. Het is een beetje spannend vanwege boze boeren of boswachters. Middenin een bos vindt niemand je, maar kamperen is leuker met een beetje uitzicht. Als de tent staat sprokkelen we hout. Een vuurtje in het donker maakt je zichtbaar, maar is zo mooi en warm. Takken genoeg, maar ze zijn vochtig. We krijgen ze met kranten en blazen in de fik. Hout sprokkelend vallen me details op, die me anders zouden ontgaan. Een korstzwam hier, een wantsje daar, een vluchtende spin. Gangetjes van houtkevers onder een afschilferende bast. En ineens: wauw! Een prachtige, roerloze vlinder van vier centimeter lengte. Een driehoekige vlinder. Een slapende nachtvlinder: een grote beer, genoemd naar de enorme rups die hij was, een rups met een berenvacht. Nu is hij ontpopt. …
Hoewel we graag genieten van de nazomer en nagenieten van de zomer, is de herfst al in volle gang. Vogels trekken, de ochtenden zijn nevelig, de kruisspinnen weven muren van webben, de bessen rijpen, de avond valt steeds eerder. En wat zijn er al een paddestoelen! Begin augustus zag ik op gemaaide wegbermen al een keur aan zwammen. Onder een bejaarde eik stond een kring van eekhoorntjesbrood. De broodjes waren oudbakken, en omdat vele kleine diertjes eekhoorntjesbrood lusten, kunnen er in oude zwammen kleine diertjes schuilgaan die je liever niet eet. Daarom kun je zo’n oude zwam maar beter laten staan. Anders had ik hem in plakken in de hapjespan gehakt. …
Toen ik een jaar of acht was, wezen mijn ouders me tijdens een fietstochtje een uitbundig bloeiende, roze bloem aan. ‘Die plant is heel giftig. Als je hem opeet, kun je doodgaan.’ Ik at nooit bloemen, maar vingerhoedskruid bleef fascineren. Ik zag de bloemen in tuinen, in bossen, aan bosranden. Meestal roze, soms wit. In het wild is vingerhoedskruid algemeen, maar de wilde bloemen kunnen nazaten zijn van gekweekte uit tuinen. Wild of tam; beide zijn giftig. …
Midden op het bospad zit op de grond een groene vlinder met gespreide vleugels. Er passeren wandelaars, ruiters, gehelmde bosfietsers, honden, kinderwagens, huifkarren, crossmotoren – geen voertuig is te dol, of het rijdt in ’s lands natuur. De groene vlinder blijft zitten. In het vrij donkere bos, op de donkere ondergrond, valt hij op. Zijn groen is licht, alsof er een waas van wit poeder overheen zit. Dat opvallende zou zijn redding kunnen zijn, zolang de bosfietsers, ruiters en crossmotoristen alert reageren en bereid zijn een stapje opzij te doen. …