Noordkrompkampioen

Noordkrompkampioen

Noordkromp, © Koos Dijksterhuis

Als we op Schiermonnikoog zijn, hoort een tochtje naar de Balg erbij, de weidse zandplaat aan de oostpunt van het eiland. Zoon van 9 kijkt ernaar uit. Vorig jaar vond hij zijn eerste noordkromp en zijn verwachtingen zijn hoog gespannen. Dochter van 13 mag met logerende vriendin thuis blijven, maar nee, ze wil best mee, al voegt ze nuffig toe dat zoon en ik vooral schelpen moeten zoeken of wandelen als we zo nodig willen, maar dat vriendin en zij gaan zonnebaden.

De broodjes worden gesmeerd, de flessen gevuld, de banden opgepompt en de roestige barrels bestegen. Het lijkt warm te worden, maar eenmaal op het strand drijven sombere wolken uit het westen aan. We zoeven over het zand voor de wind de tien kilometer naar paal 16. De wind striemt het zand tegen onze benen, de blote voeten krijgen ervan langs. ‘Kom’, zegt dochter opgewekt, ‘we gaan naar de punt’. Nee maar, anders is ze hooguit na een half uur smeken, vleien, dreigen en dwingen bereid tot een mokkend ommetje waarin ze elke tien seconden vraagt of we al teruggaan. ‘Je kunt er zeehonden zien’, voegt ze toe ter overtuiging van vriendin. Daar benen ze weg, langs de vloedlijn.

Zoon en ik zigzaggen over het hogerop gelegen zand. Helaas is er geen oostenwind geweest die het stuifzand wegblies. De westenwind voert juist stuifzand aan. Toch zijn er schelpenveldjes en we vinden gedoornde en noordse hartschelpen, otterschelpen, tepelhorens, wulken en oesters, maar geen noordkromp. Noordkrompen zijn grote, stevige schelpen uit noordelijke zeeën. De Waddeneilanden zijn de zuidgrens van waar je ze kunt vinden, en de oostpunt van Schier is daarvoor de beste plek. De noordkromp is het oudst wordende dier ter wereld en haalde daarmee de superstatus op de dierenplaatjes van Albert Heijn en Wereldnatuurfonds. Een noordkromp kan vier-, vijfhonderd jaar oud worden maar wordt in de Noordzee lang voor hij zo bejaard is al verbrijzeld door de kettingen van sleepnetten. De kleppen op het strand liggen er al jaren.

Eindelijk bereiken we de punt. Het is bijna hoog water, de Balg is op zijn kleinst. Toch hebben we er twee uur over gedaan. Zoon is moe en baalt ervan dat de noordkrompen niet voor het oprapen liggen. Enig vertier bieden de zeehonden, die met honderden op Simonszand liggen, achter de geul, van wie er twee op tien meter afstand watertrappelend uit het water oprijzen. Ze koekeloeren naar ons, die vreemde snuiters die door hun zee waden.

De duintjes bij paal 16 waar de fietsen staan zijn niet meer te zien. Volgens de gps is de afstand vier kilometer. Vier kilometer zand ten oosten van het eiland. We lopen in een rechte lijn terug. Zoon heeft de hoop op noordkrompen opgegeven. Zijn stemming daalt met iedere stap. Het loopt zwaar door het zachte zand, vochtig van de springvloed en de regen. Ineens ligt er voor mijn voeten een grote noordkromp. Had zoon die maar gevonden, dat zou het moreel goed doen. ‘Die rotbalg’, moppert hij, ‘ik hoef al geen noordkromp meer. Noordkrompen zijn stom.’ Tien meter verderop schopt hij een wulk weg. Maar dan schreeuwt hij plotseling: ‘papa!’ Hij rent op me af met een noordkromp, nog groter dan de mijne. Neuriënd huppelt hij van wulk naar oester. Dochter vindt ook een noordkromp en halverwege de voettocht vindt zoon er nog één. Een reus, een prachtexemplaar. Hij straalt.

De fietstocht over het glibberige pad door het slijk onder de duinrand is zwaar. Tegenwind, diepe slenken waar we door moeten, regendazen die pijnlijk bijten. De meiden ploegen dapper voort, maar zeggen dat ze nooit meer naar de Balg gaan. Zoon valt en moet huilen. Ik duw hem, deel snoepjes uit, geef hem water en houd hem chocola voor. Voorbij het gat in de stuifdijk bij paal 11 wordt het pad steviger. Paard ruikt stal, zoon de ijsjes en sapjes in het strandpaviljoen. Hij fietst steeds harder, hij haalt me in en zegt: ‘ik ben de noordkrompkampioen’. Voor me hoor ik hem neuriën. De zon breekt door en ze mogen bestellen wat ze maar willen. ‘Gaan we deze week nog een keer?’ vraagt zoon. ‘Dan ga ik ook mee’, zegt dochter.

DELEN
Een trap vol mussen

Een trap vol mussen

Huismussen, © Koos Dijksterhuis

Als we het Spreewald verlaten, stappen we rond de middag in Berlijn over op de trein naar Nederland. We hebben ruim de tijd en zoeken bij het enorme, glazen Hauptbahnhof een plekje om onze lunch te smeren. Van Berlijns groene karakter is in de stationsomgeving niets te merken. We strijken neer op de brede trap naast het station. Maar nu wij de stadsnatuur niet kunnen vinden, vindt de stadsnatuur ons. Zodra we ritselen met een zak waarin brood zou kunnen zitten, nemen tientallen, misschien wel honderden mussen de trap in bezit. Wij vormen het epicentrum van de tjilpende vloed.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Reus in de stad

Reus in de stad

Stadsreus, © Koos Dijksterhuis

Middenin de stad zat op een vlinderstruik een enorme zweefvlieg. Het bleek een stadsreus te zijn. Ik vond dat een toepasselijke naam. Ik kreeg hem moeizaam op de foto. Het dier was beweeglijk en een beetje angstaanjagend. Al weet ik dat een zweefvlieg niet steekt, toch schrikt dat zwart-geel gestreepte af. En dan ook nog zo’n joekel… Met 2,5 centimeter toch 2,5 keer de lengte van een gewone pyjamazweefvlieg en veel breder en forser. Maar de stadsreus is een watje dat geen vlieg kwaad doet: hij eet stuifmeel en nectar.Mimicri heet de imitatie van gevaarlijke dieren, opdat belagers terugdeinzen. Het werkt zo goed, dat de meeste mensen zweefvliegen eng vinden en het liefst doodslaan. Dan schiet het imiteren zijn doel voorbij en werkt het averechts.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Trekvogels aan het strand

Trekvogels aan het strand

© Koos Djksterhuis

We stappen langs de waterlijn op het Noordzeestrand van Schiermonnikoog. Drieteenstrandlopers dribbelen mee, sommige nog roestbruin van hun zomerkleed. Er zijn meer gevederde poolreizigers op de terugweg: bonte strandlopers, kanoetstrandlopers, rosse grutto’s vliegen langs. Een steenloper rent langs aangespoelde bosjes zeewier. De vogels hebben op de toendra gebroed, in Groenland of Siberië. Ze overwinteren hier of verder zuidelijk, tot Zuid-Afrika aan toe. Grote sterns leren hun jongen zandspiering vangen: als witte pijlen schieten ze met ingeklapte vleugels de zee in. Die hebben gebroed op de wadden, vermoedelijk op Griend, waar een grote broedkolonie is. Maar met hun vliegvlugge jongen stropen ze de kust van Schier af, waarvan ze uitrusten op het Oosterstrand.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Oosterse akkernatuur

Oosterse akkernatuur

Grauwe klauwier, © Harvey Van Diek

Op het platteland van Oost-Duitsland is het sinds de Wende nog niet gelukt met Europese subsidie alle akkers net als in het westen te steriliseren van korenbloemen, klaprozen, margrieten, houtwallen, bosjes en verruigde hoekjes. De vooruitgang kost tijd.

Het Oost-Duitse platteland heeft nog prachtige velden en akkers met meidoorns en kruidige randen. Daar leven knaagdieren, grote insecten en zangvogels. En dat zijn weer prooien voor roofdieren. Vlak over de vroegere grens zien we al zwarte en rode wouwen cirkelen en drie keer een grauwe kiekendief jagen.

Grauwe kiekendieven zijn de rankste roofvogels ter wereld: ze wegen een paar ons, maar met hun lange staart en vleugels zijn ze behoorlijk groot.

Ik heb meerdere akkerbouwers horen zeggen dat ze van die vogels genieten, terwijl ze op het land werken.

We wandelen door een enorme weide. Het zandpad is omzoomd met bloemen als vlasbekje, zandblauwtje, hazepootje en knoopkruid. Het zoemt en tjirpt van de bijen, zweefvliegen, kevers, krekels en sprinkhanen. Vlinders dwarrelen met ons mee. Veldleeuweriken vliegen her en der op. Bij een dobbe, een drinkplasje voor vee, staan een paar wilgjes in de rietkraag. Op vijf wilgjes zit een grauwe klauwier: een gemaskerde zangvogel met stevige snavel, die muizen, hagedissen en insecten eet. Echt een vogel van ouderwets boerenland.

Alweer een grauwe kiekendief zweeft voorbij. In de verte zit een enorme roofvogel op een prooi: een visarend.

En door een stoppelveld stappen twee kraanvogels, één van de mooiste vogels van Europa, en gek op oogstresten van maïs, graan en bieten.

Wat een feest, zo’n veld. In Nederland proberen we met veel moeite ook onze verdwenen akkernatuur te herstellen. Het is maar wat je vooruitgang noemt.

DELEN
Bij de pingo in het bos

Bij de pingo in het bos

Brilduiker m., © Koos Dijksterhuis

Het meer in de Oost-Duitse dennenplantages heeft een strandje, een primitieve camping en twee rommelige blokhutten die elkaar beconcurreren met allerlei blikvoer, snacks, Brat- und Bockwürste voor DDR-prijzen. Het ene loket wordt gerund door een militante matrone.

Haar buurman is een aimabele vent met pretogen. Bij hem zitten we een tijdje op plastic stoelen. We kijken naar de weinige campinggasten die zich te water laten – spiernaakt volgens Oost-Duits gebruik.

Na een elegante prooi-overdracht van kiekendiefman aan kiekendiefvrouw passeert een zwarte wouw. Ook al zo’n vliegvlugge roofvogel die van water houdt.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Eindeloos dennenbos

Eindeloos dennenbos

Dennenbos Spreewald, © Koos Dijksterhuis

Vanuit Berlijn is het een uur treinen naar Lübbenow, in het Spreewald. Dat gebied lonkt mij al jaren toe. Een kleine binnendelta van de Spree, met zompige velden rond meerdere rivierlopen, en veel bos.

Op de detailkaart staan horeca en andere voorzieningen, en in het hart van het Naturschutzgebiet rond Lübbenow wemelt het ervan. Na een half uur jaagt een potige conductrice ons de trein uit. ‘Raus!’ snauwt ze. Een eind buiten het station staat een bus naar Lübbenow, maar die is vol. De volgende komt al gauw en met anderhalf uur vertraging bereiken we het Spreewaldstadje.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Groene stad

Groene stad

Atalanta, © Koos Dijksterhuis

Berlijn is een groene stad, misschien wel de groenste hoofdstad van Europa. Vooral in het vroegere Oost-Berlijn zijn veel parken en parkjes. Er hoeft ergens maar een boom van voor de Wende te staan, of hij is omheind en voorzien van een groen driehoeksbord met de uitleg: Gartendenkmal.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Zwartbonte kraaien

Zwartbonte kraaien

Bonte kraaien Berlijn, © Koos Dijksterhuis

Op weg naar Berlijn verandert de zwarte kraai in de bonte. De zwarte is helemaal zwart. De bonte is zwart met een grijze buik en rug.

Verder zijn ze eender: even groot, dezelfde vorm, dezelfde zware snavel, hetzelfde wijdbeense loopje, dezelfde schrandere schuwheid: van vlakbij iets eetbaars wegsnaaiend maar vluchtend zodra je blik, wijsvinger of camera naar ze richt.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Bloeiende parnassia’s

Bloeiende parnassia’s

Parnassia © Koos Dijksterhuis

Na de lange, droge lente volgde de lange, natte zomer. Sommige bloemen leken op de regen te hebben gewacht. Op Schiermonnikoog barstten de orchideeën, parnassia’s en andere duinbloemen uit de grond.

De orchideeën zijn uitgebloeid, maar parnassia’s bloeien nog. Er staan er duizenden. In de vochtige duinvalleien, maar ook langs het buitenduinse pad over het strand. Bij Schut, de Schiermonnikoger supermarkt, kom ik de eilander plantenexpert Wim Penning tegen. Hij is opgetogen over al die parnassia’s, maar zegt erbij dat het aan het voor de planten gunstige weer ligt.

Lees Meer Lees Meer

DELEN