Kasten en holen

De zon schijnt en de wind ligt een middag. Meteen gaan mezen, merels, winterkoninkjes en roodborsten druk in de weer. Merels vormen stelletjes, ook mezen zijn verdacht vaak met hun tweeën. We lopen ten oosten van Groningen twee uur langs jonge bossen en oude weilanden, sloten en rietveldjes. Twee knobbelzwanen dobberen samen in een sloot, steken tegelijk hun halzen in het water en halen ze tegelijk weer op. Een meerkoet smikkelt van opgeduikelde waterpest. Een andere meerkoet peddelt met iets plantaardigs in de snavel vastberaden een kant op. Het lijkt wel of ie nestelt. Uit de bosrand verschijnen twee sperwers. De een is duidelijk groter dan de ander: het vrouwtje. Van veel roofvogels verschillen man en vrouw van formaat, maar bij sperwers en haviken is het grootteverschil het grootst. Heet voordeel is onder meer dat man en vrouw achter andere prooien kunnen aanjagen en elkaar dus niet beconcurreren. Man en vrouw sperwer trekken doorgaans zo weinig met elkaar op, dat ze wel andere soorten lijken. Dat deze twee nu samen vliegen en om elkaar dollen, maakt een wel heel lenteachtige indruk. Ze lijken te baltsen. Buitelend en stoeiend vliegen ze over de weilanden weg, tot ze als twee stipjes verdwijnen achter de losse kerktoren van Garrelsweer. …








