Kolganzen, notenkrakers en andere trekvogels

De vogeltrek is in volle gang. De zwaluwen zijn vertrokken: zondag 27 september zag ik boerenzwaluwen zwermen alsof ze zich nog helemaal thuis voelden, en een dag later zag ik er niet een meer.
Daar staat tegenover dat er zanglijsters en koperwieken uit het noorden arriveren. Weldra volgen de kramsvogels, terwijl merels hun Scandinavische soortgenoten op bezoek krijgen. Al die lijsterachtigen vliegen vooral ’s nachts. Overdag hangen ze rond in meidoorn, hulst, vlier, klimop. Wat hebben ze daar te zoeken? Ook lijsterbessen zijn in trek – die naam zegt het al.
Ik hoor nog een enkele fitis en tjiftjaf – waarschijnlijk op doorreis uit Zweden. Uit Zweden komen ook de notenkrakers, van wie er momenteel meerdere in ons land zijn: een kleine invasie. Notenkrakers lijken op spreeuwen: donker met lichte spikkels, maar ze zijn veel groter en ze hebben een forse, lange snavel. Notenkrakers zijn zo groot als gaaien met wie ze een witte kont gemeen hebben. Net als gaaien horen ze bij de kraaiachtigen. Anders dan andere kraaiachtigen zijn notenkrakers meestal niet schuw. Integendeel: ze komen uit de taiga waar ze geen mensen kennen, of wisten zich te redden met etensresten op terrassen waar ze mensen als voedselbron kennen.
Er trekken hout- en holenduiven over, kieviten en kauwtjes, vinken en veldleeuweriken. En kolganzen: honderden kolganzen, of duizenden, elke dag weer. In wolken, linies en V-formmaties trekken ze over. Als de lage ochtend- of avondzon op hun grijze buiken schijnt, zijn hun zwarte dwarsstrepen zichtbaar. Een ander onderscheid met grauwe ganzen is de witte rand om hun snavel: de kol. Ze keuvelen op hoge toon met elkaar, hoger dan het gakken van grauwe ganzen.
Kolganzen overwinteren met honderdduizenden bij ons. Ze broeden op de toendra’s van Noord-Rusland en Siberië. In navolging van grauwe ganzen en brandganzen broeden er in Nederland intussen ook een paar honderd. Je zou van klimaatverandering eerder een noordwaartse migratie verwachten. Maar wellicht zijn er in het noorden sinds het beperken van de jacht op ganzen zoveel gaan broeden, dat sommige maar in hun wintergebied blijven. Dat zouden de zwakkere individuen kunnen zijn, bijvoorbeeld met vleugels die door hagelkogeltjes verwond zijn. Gras is er genoeg, evenals water om veilig op te overnachten. Ze worden vast door kabbelende golfjes in slaap gewiegd.
(Natuurdagboek Trouw maandag 12 oktober 2026)