Het hoeft niet

Het hoeft niet

Notenkraker met hoornaar Foto Rob Buiter
Notenkraker met hoornaar. Foto Rob Buiter

Als kind moest ik van alles van mijn ouders en mocht ik nog meer niet. Rond mijn zesde vroeg ik dan ook dikwijls: ‘Mag ik..?’ Het antwoord luidde vaak: ‘het mag wel, maar het hoeft niet.’

Ik betrapte me erop dat ik tegen onze hond zei, die door het raam blafte naar drie houtduiven: ‘blaffen is nergens voor nodig’. De hond hoort liever: ‘klaar’ of ‘foei’. De duiven schrokten hun kroppen vol beukennootjes die met miljoenen leken te zijn gevallen. De hazelnoten vielen dit jaar in augustus al en zijn inmiddels op. Jammer, want er is een invasie van notenkrakers in ons land.

Notenkrakers zijn vogels uit Scandinavië en Rusland. De reden van hun komst is waarschijnlijk dat hun voedsel daar op is. Notenkrakers staan bekend om hun voorkeur voor hazelnoten. Ik hoor echter veel verhalen van notenkrakers die op hoornaars jagen. De foto’s die ik voorbij zie komen tonen notenkrakers met lege snavel, met een muis of met een hoornaar (zie foto bij dit stukje).

Ik ken notenkrakers als schuwe bosvogels in de Alpen en Vogezen, en als onbevreesde plunderaars van prullenbakken bij een patattent in het Tatragebergte in Slowakije. Het zijn dan ook kraaiachtigen en die eten wat de pot schaft.

Er komen ook meldingen van notenkrakers voorbij met foto’s van een spreeuw. Spreeuwen lijken op notenkrakers. Notenkrakers zijn groter, maar formaat is alleen een betrouwbaar kenmerk als er vergelijkingsmateriaal in de buurt is: bijvoorbeeld een notenkraker tussen de spreeuwen.

Als vogelliefhebbers horen dat er een invasie van een zeldzame soort is, worden er plotseling veel meer exemplaren van die soort gezien dan er zijn. ‘Invasie’ klinkt massaal, maar het gaat waarschijnlijk om ‘slechts’ honderden notenkrakers.

Sinds de huidige invasie speur ik tijdens elke wandeling de bosranden, bomen en velden af, in de hoop op een notenkraker. Spreeuwen zag ik genoeg, en al onze kraaiachtigen: gaai, ekster, kauw, roek, zwarte kraai en raaf. Maar notenkrakers, ho maar.

De vorige invasie vond plaats toen ik zes was. Een oude overbuurman waarschuwde mijn moeder dat er een notenkraker in zijn hazelnotenboom zat. We gingen kijken. De vogel zat in de boom waaronder ik een paar jaar later met vriendjes noten zou rapen.

Na het bekijken van de notenkraker stonden de buurman en mijn moeder in de deuropening te praten. Ik glipte naar binnen en besteeg de trap. ‘Dat hoeft niet’, zei de buurman. ‘Maar het mag wel’, antwoordde ik.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 29 oktober 2026)

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *