Groen als gras

Groen als gras

Grote groene sabelsprinkhaan. Foto Koos Dijksterhuis
Grote groene sabelsprinkhaan. Foto Koos Dijksterhuis

Er beweegt iets op mijn broekspijp. Ik buig mij zijwaarts om te zien wie mij beklimt en ik zie een enorme sprinkhaan. Er is er maar één zo groot: een grote groene sabelsprinkhaan.

Treksprinkhanen zijn ook fors, maar die komen in West-Europa vrijwel niet meer voor. Soms ontsnapt er een uit een dierenwinkel, die ze als voer voor padden of slangen verkoopt.

Door (trek)sprinkhanenplagen hebben sprinkhanen geen gunstig imago. Ten onrechte. Buiten natuurlijke, dun begroeide grasvelden zijn sprinkhanen zeldzaam. Op moderne turboweilanden en tarwevelden zie je nauwelijks sprinkhanen. Sabelsprinkhanen zijn er wat meer, vooral in bossen en ruige vegetaties. Grote groene sabelsprinkhanen zijn algemeen, maar niet zo algemeen dat je er niet meer van opkijkt.

De imposante grote groene sabelsprinkhaan met zijn grasgroene kleur vreet ook geen gewassen. Integendeel, hoewel zo’n beest bij gebrek aan alternatieven misschien eens een groen blaadje plukt, eet ie vooral dierlijke prooien. Dus wie van plaaginsecten af wil, hete de grote groene sabelsprinkhaan warm welkom.

Als kind dacht ik dat grote groene sabelsprinkhanen konden bijten. Dat is niet zo. Alleen als je er een blijft pesten, zal ie misschien proberen te bijten, maar dan blijken z’n kaken niet sterk en scherp genoeg te zijn om door de huid te dringen.

Een angel hebben ze ook al niet. Die lange ‘sabel’, die onder de vleugels uit het achterlijf steekt, is de legboor. Daarmee legt de sprinkhaan eitjes in de grond. Ze neemt dan een soort hurkstand aan en steekt de legboor met een bochtje de grond in.

Een sabelsprinkhaan met zo’n legboor is dus altijd een vrouwtje, want mannetjes leggen geen eitjes, die bevruchten ze alleen maar. Bij sabelsprinkhanen dragen de dames een sabel.

Grote groene sabelsprinkhanen staan op het menu van allerlei vogels en zoogdieren. Ik heb weleens een mus een grote groene sabelsprinkhanen zien slachten en eten. De prooi was ongeveer even groot als de jager.

De dieren vertrouwen in gebladerte vaak op hun schutkleur, en terecht. Ze kruipen traag uit het zicht van een mogelijke belager, zoals ondergetekende met zijn camera. Maar als een mus of andere vogel aanvalt, proberen ze te vluchten. Ze springen dan een gat in de lucht en zweven vervolgens een meter of tien fladderend weg. Echt vliegen kunnen ze niet; daarvoor moet je treksprinkhanen hebben.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 15 oktober 2026)

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *