De nestgrom van de houtduif

Iedere lente en (na)zomer raak ik meermaals vertederd van het gesnurk van een duttende houtduif in een boomkruin. In het mooie boek De houtduif (Atlas Contact, €23,99) van Hay Wijnhoven lees ik dat het geen gesnurk is, maar een geluid dat houtduiven maken als ze bezig zijn met een nest. Hij noemt het de ‘nestgrom’, en ik had kunnen bedenken dat het communicatie betrof, want waarom zouden houtduiven alleen in het broedseizoen snurken?
Dat broedseizoen duurt ruwweg van eind december tot half oktober, en in die tijd zijn houtduivenpaartjes aan de lopende band aan het nestelen, leggen en opvoeden. Telkens twee jongen, en na een heel seizoen moeten dat er genoeg zijn om de verliezen aan wind, gaai, buizerd, havik, auto, kat en jager te compenseren.
Dat katten duiven pakken weet iedereen die duiven houdt. En sinds de kleinschalige graanakkers in en rond de bossen verdwenen zijn, en er op moderne akkers nauwelijks nog oogstresten liggen, zijn houtduiven uit bossen naar steden en dorpen verhuisd, waar het wemelt van de katten. Ik heb meermaals een kat betrapt met zijn poot op een opengereten duif. Invloed op de duivenstand hebben die verliezen niet. Wijnhoven maakt duidelijk dat het door mensen gemaakte en gebruikte landschap de hoeveelheid houtduiven bepaalt. Ook de jacht op duiven heeft geen invloed op de duivenstand. De enige reden voor het doodschieten van duiven is de lol die jagers eraan beleven.
Duiven zijn veelzijdig; ze eten van alles, kunnen enorme einden vliegen en zijn op de korte afstand heel wendbaar en sterk – ze klapwieken dwars door boomkruinen heen. Ik heb een zwak voor alle duiven, inclusief stadsduiven. Houtduiven zijn de mooiste, met hun fraaie kleuren. Bij mijn huis hoor ik van december tot oktober vaak hun vijftonige gekoer, evenals het drietonige van Turkse tortels. Het zijn dromerige geluiden waarop ik heerlijk kan wegdoezelen. En dat geldt nog sterker voor de snurkende nestgrom.
(Natuurdagboek Trouw, donderdag 18 juli ’24)