De kolibrievlinder staat te boek als algemene trekvlinder. De Vlinderstichting noemt hem op haar website zelfs “zeer algemeen”. Wel, als kolibrievlinders zeer algemeen zijn, dan moeten koolwitjes en dagpauwogen wel extreem super-algemeen zijn. Of ik kijk niet goed. Ik heb nog maar een paar keer een kolibrievlinder in Nederland gezien. Dat ik in Groningen woon en op Schiermonnikoog vakantie vier helpt niet, want kolibrievlinders komen uit het zuiden. Ik heb één keer zo’n beestje in mijn tuin gezien en één keer op Schier. …
In mijn tuin bloeit Jacobskruiskruid. Wat een geweldige insectenplant is dat toch. Als ik buiten koffiedrink, zie ik vier vlindersoorten op de gele bloemen plaatsnemen en nectar slurpen: groot koolwitje, klein koolwitje, Icarusblauwtje en hooibeestje. Aard-, akker- en steenhommels zoemen er de hele dag omheen, honing- en andere bijen zitten erop, evenals allerlei soorten zweefvliegen. Ook andere vliegen zijn gek op Jacobskruiskruid. …
In de berm van de landweg waar geliefde en ik lopen is een buis verticaal ingegraven. Het is een buis met de doorsnee van een flinke emmer en de diepte is zo’n twee emmers. Onderin loopt een rubberen leiding. De cilinder is kennelijk bedoeld om bij die leiding te kunnen voor controle of onderhoud. …
Iedere zomer is er wel een lezer uit Noord-Brabant of Limburg die mij lekker maakt met een foto van een phegeavlinder. Ik heb er nog nooit een gezien. Die fraaie beestjes verlaten Brabant en Limburg niet graag. Ze zouden het waarschijnlijk van harte eens zijn met Theo Maassens opmerking: “het enige goede uit Amsterdam is de sneltrein naar Eindhoven”.
Ook in Vlaams Limburg en Brabant komen ze voor, maar in Groningen zie ik nooit phegea’s. Ik ben blij verrast als ik na aankomst op ons eerste vakantie-adresje in Kroatië langs een achterafpaadje een phegea zie. Mijn hart maakt een sprongetje, mijn stem slaat over en na het hakkelend aanwijzen van de bezienswaardigheid richt ik mijn camera. Helaas, de vlinder laat zich niet kieken.
De volgende dag maken we een lange voettocht door de omgeving en zie ik er gelukkig meer. Sterker nog: het wemelt ervan. Overal phegea’s. Ze lurken aan de bloemen van beemdkroon, ballote en braam. Ze fladderen om ons heen, alsof ze ons net zo fascinerend vinden als wij hen. Ze blijven vaak even zitten, soms zelfs op een van onze schouders. Ze zijn heel makkelijk te fotograferen.
Phegea’s zijn nachtvlinders, net als de aan hen verwante bloeddrupjes ofwel Sint-Jansvlinders. Beide soorten zijn nochtans overdag actiever dan ’s nachts. Vlinderkenners hebben het zonder ironie of gêne over ‘dagactieve nachtvlinders’. Die bloeddrupjes, met rode in plaats van witte vlekjes, zien we ook veel. Phegea’s zijn zoals veel vlinders genoemd naar een personage uit de Griekse mythologie. Vanwege de witte stippen worden ze ook melkdrupjes genoemd, analoog aan de rood-gevlekte bloeddrupjes.
Mijn dag is helemaal goed, te meer daar we ook allerlei parelmoervlinders, konings- en koninginnepages, keizersmantels, zandogen, dikkopjes en dambordjes zien en nog een heleboel andere vlinders. Om over de boktorren, bijenwolven en andere kleurrijke kevers nog maar te zwijgen. Wat een insectenrijkdom!
Phegea’s vliegen de hele zomer rond, en overwinteren als rups. Die rupsen lusten allerlei planten, al vinden ze paardenbloemblad het lekkerst.
“Heksenkruid, heelblaadjes, eenbes”, wijst Wim Kanbier. “Hier bij de stinzenflora, de halfwilde planten van landgoederen, doen die eenbessen het niet zo goed, maar in het eiken-beukenbos staan ze er veel beter bij.” Kanbier werkt sinds het begin in 1971 in de heemtuin in Leiderdorp. Tot 1993 als betaalde coördinator, sindsdien als vrijwilliger. Zijn opvolger Jasper Klapwijk is grondiger ingewerkt dan welke tuinman ook. We komen hem tegen als we door de heemtuin wandelen, Klapwijk heeft een groep tuinierders op sleeptouw. Er klinken bewonderende kreten. …
Drie uur ’s middags namen we in Amsterdam de trein en half tien de volgende morgen stappen we uit de slaaptrein bij de Adriatische zee. Dat bespaarde ons mooi een dag lang controles, wachtkamers, krappe stoeltjes en stekende oren van een vliegreis. En water en zakmes mochten mee. Onderweg keken we uit het raam naar drogende wassen, beboste heuvels, reeën en buizerds en lazen we een boek. …
Vaak krijg ik vragen van lezers. Welke vogel, plant, vlinder is dit? Ik weet steeds beter waar ik het zoeken moet, als ik het antwoord niet paraat heb. Hans van Kesteren stuurde me een foto van een volgens hem “VRESELIJK onkruid”, inclusief hoofdletters. Ik kende de plant niet, het leek wel een kruising tussen een Japanse duizendknoop en een zwarte els. …
Bosrandroofvlieg Neoitamus cyanurus met juffer en sluipwesp. Foto Koos Dijksterhuis
Als ik in de tuin zit, zie ik door mijn ooghoek iets op de muur landen. Het is een imposante roofvlieg, met een twee centimeter lang, stevig lijf en een robuust borststuk, waarin de krachtige vleugelspieren zitten waarmee hij zo snel kan vliegen. Of zij, want het is een vrouwtje, ondanks het borsthaar en de borstelsnor waarmee vrijwel alle roofvliegen uitgerust zijn. Ze heeft zwart met oranje poten en een zuigsnuit waarmee ze haar prooi leegzuigt. Die prooi is al dood en ving ze in de vlucht, waarna ze naar een rustig plekje om te eten vloog, met de prooi in haar poten, als een arend met een vis. Roofvliegen zijn er in honderden soorten en tientallen geslachten. Op waarneming.nl hoor ik dat dit een bosrandroofvlieg is: Neoitamus cyanurus om precies te zijn. …