Groenland 11- Kleinste jagers

Als de vallei nog blinkt van een dik pak sneeuw, zien we een poolvos in luttele minuten zes kilometer afleggen. Hij danst over de sneeuw. Een poolvos kan als een springveer van ijsschots naar ijsschots hoppen en zo een fjord of sont oversteken. Een sont is een fjord die niet doodloopt, een zee-engte dus. We kijken de vos na, nog in winterkleed: helemaal wit, met een grisbruin gezicht. Een dikke, witte plumeau wappert achter hem aan. Hij huppelt een berghelling op, waar hij wordt belaagd door twee jagers.
Hier mogen mensen niet jagen, zelf Inuit niet. De jagers die wij zien zijn roofmeeuwen. Hoewel ze als kleinste jagers bekend staan, zijn het fikse vogels. Maar de andere drie Europese jagersoorten zijn nog groter: de grote, de middelste en de kleine jager. Hier zijn alleen kleinste jagers. Met hun witte hals en buik, hun gelige kop, zwarte kruin en vooral de decimeters lang uitstekende middelste staartveren zijn ze een zeer elegante verschijning. En behendige vliegers bovendien. De jagers duiken om beurten op de vos, die ze probeert te ontwijken. Poolvossen zijn gek op eieren, ook van jagers. Deze twee lossen elkaar af en de vos kan alleen maar rennen, na iedere stootduik zijn kop schuddend. De vos vlucht en de roofmeeuwen keren terug naar hun nest.
Als de vos het nest wist te vinden, zou hij erheen zijn gerend, ongeacht beide aanvallers. Doorgaans zijn de vogels geen partij voor een vos. Maar als kleinste jagers zouden samenwerken en in een kolonie broedden, zou een vos geen kans maken. Kleinste jagers werken alleen niet samen en hun eieren worden geroofd.

Na onze schoonmaakmorgen en de lunch tijgt Jeroen naar Dries en Dreutel om daar de datalogger af te lezen en er de accu van te vervangen. Ik blijf schrijvend achter en wacht op de twinotter. Vandaag arriveren Joop en Hans, een nieuwe Deense en drie Zweden. Niels vertrekt. Het is het eerste vliegtuigje sinds wij twee weken geleden kwamen en het laatste tot ik over twee weken afscheid neem. Toch nog onverwacht hoor ik het geronk aanzwellen. Tegen de bergen, de fjord, de weidsheid van de toendra valt het vliegmachientje weg als een insect. Maar de bromvlieg groeit met de minuut en landt in een gele wolk poolzand en kerosinedamp. Joop en Hans hebben post bij zich. Een brief van mijn ouders en een brief van Inge. Aan het eind van de middag trek ik me met een beker koffie terug aan een zonnige picknicktafel en lees. Inge schrijft dat ze de nacht na mijn vertrek wakker schrok, toen een schorre stem ‘Koos’ riep. Toen ze het nog eens hoorde, vond ze het gesmoorde geluid toch wel op een meerkoet lijken. De meerkoeten in de sloot achter ons huis missen me! Mijn moeder vraagt of we nog meer vogels vangen en ringen dan drieteenmeeuwen. ‘Er staat in Zien is Kennen ook een drieteenzandlooper!’ schrijft ze. Wel vaker denken mensen dat we met drieteenmeeuwen bezig zijn. Die zijn kennelijk bekender dan drieteenstrandlopers. Niemand verwart de drieteenstrandloper met de drieteenspecht. Maar die laat Zien is Kennen dan ook zien noch kennen.

We zoeken nestjes op dezelfde manier als Friese kievitseizoekers. Alleen verbergen drieteenstrandlopers hun eieren veel beter dan die sullige kieviten. Ik keek een keer uit mijn raam in Nederland en zag in de verte een kievit geheimzinnig rondsluipen. Ik dacht: die heeft een nest. De kijker gepakt en ja hoor, al gauw ging de vogel draaikonten en zitten. Om een drieteentje op broeden te betrappen is meer nodig.


