Groenland 14 – Oude wijven

Vlakbij het veldstation ligt een plasje dat in trek is bij franjepoten en ijseenden. De laatste hebben een bruinwit verenkleed met lange puntstaart. In het Engels heten ze longtailed duck, en ook in de Verenigde Staten raakt die naam in zwang.
Daar stonden ze vanwege hun gesnater bekend als old squaws, oude wijven, maar die naam wordt racistisch gevonden omdat squaws indiaanse vrouwen zijn.
Mogen wij scholeksters nog wel bonte pieten noemen? In Afrika komt een zwarte scholekster voor. De zwarte piet?
Eskimo is ook een verboden term. Het is een indiaans woord en betekent rauw vlees-eter. In boeken staat dat Groenlanders het beledigend vinden. Inderdaad bestond het Groenlandse menu tot voor kort voor het leeuwendeel uit rauw vlees. Dat was ook wel praktisch in een land zonder hout of andere brandstof, uitgezonderd walvistraan. Zodra er een zeehond, hond of zeekoet geslacht werd, verdeelden de aanwezigen het hart, de longen en de lever. Smullen! Tegenwoordig bakken, braden en koken Groenlanders meer, maar vlees lusten ze nog altijd rauw. Een Groenlander geeft me zeehondenvlees. Lekker is het niet, wel rauw. Hij schaamt zich er niet voor. Waarom zou hij ook? Zijn Europese bloedworst en Amerikaanse filet niet ook rauw? Eskimo zal door de Cree-indianen wel denigrerend bedoeld zijn.

Zoals Nederlanders kaaskoppen genoemd worden. We moeten Eskimo’s Inuit noemen in plaats van Eskimo’s. Eén Inuuk, twee of meer Inuit. Zo noemen ze zichzelf immers ook? Ja natuurlijk, Inuit betekent mensen, en zo noemen mensen zichzelf. Emil ook, maar op de vraag of hij Eskimo een vies woord vindt, schudt hij verbaasd zijn hoofd. Het lijkt hem niets uit te maken.
.




Na onze schoonmaakmorgen en de lunch tijgt Jeroen naar Dries en Dreutel om daar de datalogger af te lezen en er de accu van te vervangen. Ik blijf schrijvend achter en wacht op de twinotter. Vandaag arriveren Joop en Hans, een nieuwe Deense en drie Zweden. Niels vertrekt. Het is het eerste vliegtuigje sinds wij twee weken geleden kwamen en het laatste tot ik over twee weken afscheid neem. Toch nog onverwacht hoor ik het geronk aanzwellen. Tegen de bergen, de fjord, de weidsheid van de toendra valt het vliegmachientje weg als een insect. Maar de bromvlieg groeit met de minuut en landt in een gele wolk poolzand en kerosinedamp. Joop en Hans hebben post bij zich. Een brief van mijn ouders en een brief van Inge. Aan het eind van de middag trek ik me met een beker koffie terug aan een zonnige picknicktafel en lees. Inge schrijft dat ze de nacht na mijn vertrek wakker schrok, toen een schorre stem ‘Koos’ riep. Toen ze het nog eens hoorde, vond ze het gesmoorde geluid toch wel op een meerkoet lijken. De meerkoeten in de sloot achter ons huis missen me! Mijn moeder vraagt of we nog meer vogels vangen en ringen dan drieteenmeeuwen. ‘Er staat in Zien is Kennen ook een drieteenzandlooper!’ schrijft ze. Wel vaker denken mensen dat we met drieteenmeeuwen bezig zijn. Die zijn kennelijk bekender dan drieteenstrandlopers. Niemand verwart de drieteenstrandloper met de drieteenspecht. Maar die laat Zien is Kennen dan ook zien noch kennen.

We zoeken nestjes op dezelfde manier als Friese kievitseizoekers. Alleen verbergen drieteenstrandlopers hun eieren veel beter dan die sullige kieviten. Ik keek een keer uit mijn raam in Nederland en zag in de verte een kievit geheimzinnig rondsluipen. Ik dacht: die heeft een nest. De kijker gepakt en ja hoor, al gauw ging de vogel draaikonten en zitten. Om een drieteentje op broeden te betrappen is meer nodig.