Waterhoen te land

Waterhoen te land

Waterhoen te land. Foto Koos Dijksterhuis
Waterhoen te land. Foto Koos Dijksterhuis

Waterhoentjes – ik zie ze graag. Ze zijn wat kleiner dan meerkoeten, hebben een minder plomp lijf, en zijn schuwer. Ze zijn echter lang zo schuw niet als andere rallen. Rallen zijn een vogelfamilie waartoe behalve waterhoen en meerkoet ook bijvoorbeeld waterral en porseleinhoen horen. De purperkoet is het grootste familielid – afgelopen herfst zat er wekenlang een uit Zuid-Europa verdwaalde purperkoet bij Rotterdam. Verder komen in Europa behalve het waterhoen een klein waterhoen en zelfs een kleinst waterhoen voor.

Onze waterhoenders zijn met zo’n dertig-, veertigduizend broedparen algemeen, al neemt hun aantal af. De meerkoet is talrijker, met vier keer zoveel broedparen. Het waterhoen heeft een rode snavel (op de foto modderig) met een gele punt, de meerkoet heeft een witte snavel met wit voorhoofdschild. Het waterhoentje heeft een opgerichte staart, die tijdens het wandelen op en neer wipt. Bovendien is de zoom van dat staartje wit, in de vorm van een omgekeerde V.

Waterhoentjes zijn vaak alleen, meerkoeten vaak in groepen. Ik zie waterhoentjes door de pas ontdooide rietkragen scharrelen, en blijf ik stilstaan, dan verdwijnen ze stilletjes uit beeld. Zeker als ik een kijker of camera op ze richt, maken ze dat ze wegkomen. Ze hebben een voorkeur voor ondiepe oevers die begroeid zijn met (oud) riet en andere ruigteplanten. Daarin kunnen ze straks ook mooi hun nestje bouwen. Dankzij hun lange tenen zakken ze niet weg in modder.

In de winter kom ik waterhoentjes regelmatig op het land tegen (foto), waar ze dan naar zaden en vooral insecten en hun larven zoeken. Een spin of wormpje gaat er ook wel in. Soms klimmen ze zelfs in bomen, als ze denken daar iets eetbaars te kunnen vinden.

Hoewel ze vaak in hun eentje opereren, zag ik laatst zeven waterhoentjes de oever van een bevroren vijver afschuimen, ieder in z’n eentje behoedzaam rondstappend met de handen op de rug. Ik bleef stil staan kijken. Toen ze mij niettemin gewaar werden, renden ze met fladderende vleugels weg tussen het riet en onder de struiken.

(Natuurdagboek Trouw, maandag 19 januari ’26)

 

DELEN
Reacties zijn gesloten.