Voor insecten is jakobskruiskruid een zegen

Voor insecten is jakobskruiskruid een zegen

Jakobsvlinder op jakobskruiskruid Foto Koos Dijksterhuis
Jakobsvlinder op jakobskruiskruid. Foto Koos Dijksterhuis

Met de hond sjok ik door de snikhete straat richting bos. Een dame te paard stapt ons tegemoet. Ik vertel de hond dat ze rustig moet blijven. Dat doet ze keurig. Keuriger dan ik zelf. De ruiter houdt namelijk halt en zegt vanuit de hoogte dat ik de gele bloemen in onze tuin moet afknippen.

Ik kan me niet heugen haar eerder te hebben zien, maar zij weet kennelijk waar ik woon en hoe ik tuinier. ‘U bedoelt jakobskruiskruid?’ vraag ik, ‘dat is een van de belangrijkste planten voor insecten.’ Ze lijkt me niet te horen en doceert dat jakobskruiskruid niet alleen dodelijk is voor paarden maar ook voor bijen. ‘Kletskoek’, zeg ik, en ik voel de adrenaline dringen. ‘Het is een invasieve exoot’, jokt ze. ‘Welnee’, zeg ik, ‘verdiept u zich eerst eens in het onderwerp.’

Ik krijg genoeg van die hetze tegen jakobskruiskruid. Het is ongezonde kost voor zoogdieren, maar die lusten het niet en grazen er omheen. Gedroogd en verstopt in hooi kunnen paarden het binnenkrijgen. Dat risico is klein: er zijn bijna geen bloemrijke hooilanden meer in Nederland, en waar die planten staan, laten ze zich (weet ik uit ervaring) gemakkelijk door een maaimachine omzeilen. Ze voor het maaien uittrekken of afknippen kan ook.

Wel breidt Jakobskruiskruid zich uit. Dat komt doordat de soort het goed doet bij omstandigheden die andere planten hinderen: warmte, droogte, verstoring en stikstof. Voor insecten is jakobskruiskruid een zegen. Tijdens hete, droge perioden produceren veel planten nauwelijks nectar, en kloppen bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders vergeefs aan. Gelukkig hebben ze jakobskruiskruid nog: er zijn al tweehonderd soorten insecten op gezien. Die drinken de nectar en eten het stuifmeel uit de bloemen, de plant zelf eten ze niet. Dat doen alleen de zwart-geel gestreepte rupsen van de jakobsvlinder.

Zodra plant- of diersoorten niet bedreigd worden maar het goed doen, denken mensen algauw dat ze bestreden moeten worden. Jakobskruiskruid lijdt onder dat misverstand. De paardenrijdster trekt haar laatste troef: ‘ze vormen zoveel pluiszaden’. Zeker, en daarom knip ik de bloemen af als ze uitbloeien. Als de jakobsrupsen ze niet al hebben gestript.

Die onverdraagzaamheid jegens onze medeschepselen, ik kan er slecht tegen. Ik voel een zachte hondenneus tegen mijn knieholte: ‘rustig maar, baasje’.

(Natuurdagboek Trouw, woensdag 12 augustus ’26)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *