Vinken leggen vroeg

Vinken leggen vroeg

Vink. Foto Koos Dijksterhuis
Vink. Foto Koos Dijksterhuis

Dinsdag 18 februari hoorde ik de eerste vinkenslag. Die begon aarzelend. Ik liep door de tuin en dacht even: wat is dat ook alweer? Toen sloeg hij zijn slag al wat beter en herkende ik hem. Ik moet elke lente veel vogelliedjes opnieuw leren kennen. Voor de vogeltellers die op strategische plekken staan en tientallen overvliegende trekvogels aan een piepje herkennen voel ik grote bewondering.

Maar een oefenende vink valt binnen mijn hoorgeheugen. Die dag was het weliswaar ijzig koud, maar het waaide weinig en de zon brak door. Dan willen vinken wel slaan. Ik hoorde nog minstens twee andere. De vinkenslag is een luide riedel van hoog naar laag, met weer een slag omhoog als uitsmijter. Echt mooi vind ik het niet, maar lelijk ook beslist niet, en als lentebode vind ik de eerste slag verheugend.

Vinken zijn kleurige vogels, de mannetjes althans met hun oranje buikjes en wangen, en hun blauwgrijze kop. De vrouwtjes hebben een betere schutkleur. Handig als ze straks op de eitjes zitten. Soms bouwen ze hun nestje op een brede tak in een loofboom, maar dan moet het wel gecamoufleerd kunnen worden, of overgroeid raken met blaadjes. Vaker zit een vinkennest in een dichte kruin, struik of conifeer.

Vinken kunnen in maart al aan de leg gaan. Meestal leggen ze vier eieren, soms een meer of minder. Na zowat twee weken komen de jonkies tevoorschijn, die na nog eens twee weken uitvliegen. Dan blijven ze nog drie tot vijf weken bij de ouders, die daarna, dankzij hun vroege start, tijd hebben voor nog een ronde. Of die tweede leg groot en sterk genoeg wordt om de volgende winter te overleven moet nog maar blijken.

In de winter trekken vinken in groepen op, vaak vergezeld door kepen en putters. Maar broeden doen ze met hun tweeën. Pottenkijkers worden verjaagd. De vinkenslag fungeert dan als waarschuwing of dreigement.

Op dezelfde dag dat de vinken sloegen, hoorde ik mijn eerste zanglijster uit volle borst zingen. Maar een grote lijster, die nog vroeger begint dan zanglijsters, hoorde ik nog niet. En ook een veldleeuwerik werd me nog niet gegund. Laat staan een geelgors. Toch maar gauw eens de hei op, voor dat drietal.

(Natuurdagboek Trouw, donderdag 26 februari ’26)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *