Een beukenbonanza onder de boom, maar bijna niets te eten

‘Tok!’ klinkt er. En nog eens. Op het dak, op de tuintafel, op het terras en op mijn hoofd als ik buiten ben. De enorme, honderdvijftig jaar oude beuk in onze tuin rolt een tapijt van beukennootjes uit. De ruwbehaarde napjes staan open, de vier nootjes stuiteren er meestal uit.
Het is vervelend lopen op die harde napjes, zeker op klompen. Dus veeg ik ze op. Op het gras laat ik ze vooralsnog liggen; alleen met wat er op de stoep en het terras ligt, kan ik een grote gft-bak tot de rand vullen.
Ook eikels, kastanjes en hazelnoten vind ik al een paar weken. Ze liggen in grote hoeveelheden onder de betreffende bomen. Kennelijk is het een mastjaar. De directe oorzaak daarvan wordt gezocht in het weer. Vooral een warme lente en zomer zouden bepalend zijn. Daardoor zijn er vaker mastjaren dan vroeger, want we hebben bijna jaarlijks warme lentes en zomers. Voor eikels nog niet, maar voor beukennootjes is het bijna elke herfst mastjaar.
Om het tot beukennootje te schoppen, moet er bevrucht worden. Aan een beuk zitten mannelijke en vrouwelijke bloemen. Afgelopen april sneeuwde het in onze tuin beukenbloemen, tot er een heus pak over gras en stenen lag, tot aan de overkant van de straat. Vervolgens hing de boom vol rijpende beukennootjes.
Maar wat een tegenvaller: vrijwel alle beukennootjes zijn loos. Ze hebben hun driehoekige, houterige dop wel, maar erin zit niets. De weinige volle eet ik na enig pulkwerk op. Een kilo beukennootjes moet je niet rauw eten, maar eerst roosteren, anders krijg je te veel fagine en blauwzuur binnen.
Daar hoef ik niet bang voor te zijn. Waarom de nootjes loos zijn? Geen idee, er moet toch iets misgegaan zijn bij de bestuiving. Te weinig insecten? Beuken zijn windbestuivers en het waaide genoeg.
Bomen hebben baat bij mastjaren waarin ze veel vruchten vormen, afgewisseld met vruchteloze seizoenen. Als ze elk jaar evenveel vrucht zouden vormen, zouden zwijnen, eekhoorns, muizen, Vlaamse gaaien en andere liefhebbers ze opeten en aan hun jongen voeren. Sparen bomen hun vruchten (noten) op en maken ze er om de zeg, drie jaar, drie keer zoveel van, dan krijgen de liefhebbers die bonanza niet op en ontkiemen er veel meer zaailingen.
(Natuurdagboek Trouw, donderdag 8 oktober ’25)