De bosuil, de uilen

Boven ons huis hoor ik vaak en zie ik soms een bosuil. Hoewel ik niet weet wat ik vergeet, staan denk ik alle bosuilen die ik in mijn leven heb gezien me nog bij. Hetzelfde geldt voor ransuilen, kerkuilen, velduilen en steenuilen. En zeker de drie oehoes, de dode oehoe, de twee sneeuwuilen en de ene Afrikaanse visuil vergeet ik niet.
’Vrijwel alle keren dat ik een uil heb gezien, staan me haarscherp voor de geest’, schrijft de Engelse vogelschrijver Stephen Moss, bekend van onder meer monografieën over Het Roodborstje en Het Winterkoninkje. Van Moss verscheen onlangs De Uil (Ambo/Anthos €23,99). Bij zo’n titel zoeken mijn hakken het zand: hoezo dé uil? Er broeden alleen al in Groot-Brittannië minstens vijf soorten. Van ‘de zwaluw’ zijn er trouwens ook meerdere soorten. Tegenwoordig hoor ik zulke simplificaties vaak. ‘Het gaat slecht met de vlinder!’ Dat het in werkelijkheid niet met alle 2400 Nederlandse vlindersoorten (even) slecht gaat, is een nuancering die te ingewikkeld wordt gevonden. Een boek echter moet je lezen, en wie die vaardigheid beheerst snapt toch wel dat dé uil niet bestaat?
Het boek had misschien beter De Uilen kunnen heten, want Moss behandelt alle (Britse) uilen, en dat doet hij goed. Hij schuwt verwijzingen naar de literatuur niet, zoals een passage uit the Tribune van mei 1944, over de fanatieke vervolging van uilen door mensen, waarvan vooral de spookachtige kerkuil de klos werd. Niemand minder dan George Orwell protesteerde ertegen dat ‘roofvogels worden afgemaakt ten behoeve van de fazant’. In Groot-Brittannië vermoorden ‘jachtopzieners (vaak illegaal) nog steeds alle roofdieren waarvan ze denken dat ze een gevaar voor hun kostbare gevogelte vormen’, aldus Moss.
Als puber sloop ik als mijn ouders sliepen soms stiekem het huis uit en toog ik naar het donkere bos waar bosuilen jaagden. Als ik hun roep nabootste, kon ik ze lokken. Soms wel vier tegelijk.
(Natuurdagboek Trouw, donderdag 24 oktober ’24)