Warrige woekeraars

Laatst beweerde ik dat er geen woekerender woekeraars waren dan kleefkruid en haagwinde. Daarop kreeg ik twee correcties: ik vergat groot warkruid en hopwarkruid. Woekeren die dan nog erger? Het enige warkruid dat ik in Noord-Drenthe en Groningen heel soms zie is klein warkruid, bijgenaamd duivelsnaaigaren. Dat komt mondjesmaat voor op schrale hei. Groot en hopwarkruid leven langs de grote rivieren.
Ik ken nog wel meer overwoekerende planten: bosrank bijvoorbeeld, en hop. Maar laat hopwarkruid nou zo heten omdat hop een onder dat warkruid geliefde gastheer is! Het snelgroeiende warkruid wil een snelgroeiende steunplant hebben. Hopwarkruid parasiteert ook op braam en brandnetel, eveneens snelle groeiers. En op wilgen. Dick Kerkhof, één van beide reageerders, zag wilgen dood liggen onder de last van hopwarkruid.
De warkruiden groeien niet alleen snel en warrig, waarbij ze zich net als haagwinde om andermans stengels heen slingeren, die ze als steunpilaar gebruiken. Ze gebruiken hun gastheerplant ook als voedselleverancier. Omdat groot en hopwarkruid weinig bladgroen hebben – de planten zijn roodbruin – zijn ze vrijwel niet in staat tot het met zonneënergie aanmaken van suikers. Hun gastheerplanten hebben wel een geoliede fotosynthese, en dus stelen warkruiden suikers uit die planten.
Hopwarkruid en groot warkruid wortelen ondiep. Ze zwaaien met hun snelgroeiende stengels in de rondte tot ze een stevige andere plant tegenkomen, waaraan ze houvast vinden. Als hopwarkruid hop of wilg (of hop in wilg!) tegenkomt, dan slingert het warkruid zich eromheen, waarbij het zich met kleine napjes vastzuigt. Uit die zuignapjes dringen zogenoemde haustoriën de gastplant binnen. Die vertakken zich, groeien diep in het weefsel en tappen water en suikers af. Hun eigen wortels sterven af en dan groeit warkruid verder als een volledige parasiet, wortelend in de gastheer.
Groot warkruid doet hetzelfde, maar verkiest lagere gastheren, zoals akkerdistel en dauwbraam.
Maar hop laat zich niet zomaar de kaas van het brood stelen. Rond de haustoriën verdikt het zijn celwanden en laat het afschrikwekkende zuren vrij. Akkerdistel laat zijn eigen cellen plaatselijk afsterven, zodat er een kurkachtige verdedigingswand ontstaat.
(Natuurdagboek Trouw, vrijdag 4 september ’26)