Flierefluiters

De sijzen zijn weer in het land. Sijzen broeden in Scandinavië en zijn bij ons vooral ’s winters te zien en te horen. Op windstille, zonnige dagen hoor ik afgelopen tijd een gekwetter uit de bomen, alsof niet alleen het klimaat de winter overslaat, maar alsof ook de zangvogels aan het voorjaar begonnen zijn.
Het zijn groepen vinkachtigen: sijzen, putters, vinken en groenlingen. De putters kwetteren, de sijzen fluiten een fraai ‘wieuw’. Een boomklever en een winterkoning tetteren er doorheen, maar de vinkvogels zingen onverstoorbaar door.
Sijzen heb ik al driekwart jaar niet gezien. Ze zijn niet zeldzaam – in de uitgestrekte sparrenbossen van Noord-Europa broeden ze met duizenden. ’s Winters in Nederland zijn ze in tuinen en parken te vinden, in bossen en zelfs op het boerenland, als daar tenminste nog elzen staan.
Die elzen vormen al katjes voor het nieuwe seizoen, maar dragen ook nog elzenproppen vol zaadjes, van afgelopen seizoen. Sijzen peuteren die zaadjes er graag uit, als acrobaten aan de proppen hangend. Sparrenzaden zijn eveneens zeer gewaardeerd. Wie een grote kerstboom (fijnspar) in de tuin heeft, krijgt misschien sijzen op bezoek. Lariks- en berkenzaden gaan er trouwens ook best in.
Sijzen zijn geel, geelgroen en zwart. De mannetjes zijn feller gekleurd dan de vrouwtjes. Mannetjes hebben een donker(e) voorhoofd en kruin. Groenlingen hebben die niet. Groenlingen zijn ook groter en fluiten geen fraai ‘wieuw’, maar tjuppen als vinken en zingen als ’het knersen der tanden’ (Mattheüs 13:42).
Als de elzen, sparren, lariksen en berken genoeg zaad dragen om de hele winter mee uit te zingen,, blijven de sijzen lang hangen. In maart beginnen ze te baltsen en uit nog vollere borst te zingen. Ze broeden dan weleens in Nederland, met enkele tientallen of honderden paartjes. Vergeleken met honderdduizenden overwinteraars is dat niks.
Ik denk dat maartse sijzen weleens onterecht als broedvogels worden beschouwd. Zelfs van de territoriale sijzen die ik soms in de zomer op Schiermonnikoog aantref, vraag ik me af of ze geen vroege herfstgasten of vrijgezelle overzomeraars zijn. Je weet pas zeker dat ze broeden als je een nest vindt.
Maar nu is broeden niet aan de orde en zwermen de kleurige flierefluiters zingend door de bomen.
(Natuurdagboek Trouw, woensdag 17 december ’25)